Spring naar inhoud

Europese implantaatkaart

17 augustus 2019

medischehulpmiddelen

Als onderdeel van de MDR vereisten voor transparantie van informatie met betrekking tot medische hulpmiddelen wordt in Europa EUDAMED, de Europese Database Medische hulpmiddelen, geïntroduceerd. Een elektronisch systeem gebaseerd op een unieke hulpmiddel identificatie (UDI). Gelijktijdig komt de MDR met de verplichting van een implantaatkaart. Nee, geen chipkaart, of magneetkaart, gewoon een ouderwetse handgeschreven papieren kaart.

De FDA heeft in de jaren 90 reeds een lijst van 23 traceerbare implanteerbare hulpmiddelen vastgesteld. Dit leverde grote logistieke uitdagingen op voor iedereen in de toeleveringsketen, van de fabrikant tot de kliniek. Destijds, na een reeks spraakmakende voorbeelden van mislukkingen van implanteerbare hartkleppen en pacemaker leads, was traceerbaarheid een hot politiek probleem. Bij het Amerikaanse systeem meldt de zorgaanbieder een implantatie bij de fabrikant.

Waarom is nauwkeurig volgen zo belangrijk? Voor fabrikanten is het belangrijk om zo gericht mogelijk maatregelen te kunnen treffen in geval van vermoeden van defecte implantaten. Zijn er problemen met bepaalde implantaten (een specifiek model of serienummer), dan moeten de specifieke dragers zo snel mogelijk geïdentificeerd en gecontacteerd kunnen worden. De gevolgen van het niet kunnen identificeren of een verkeerde identificatie en beslissing om een risicovolle explantatie uit te voeren, kunnen catastrofaal zijn voor de patiënt. Ook overheden willen deze mogelijkheid hebben in geval de fabrikant in gebreke blijft.

Echter, in tegenstelling tot het Amerikaanse model, is de zorgaanbieder hier niet verplicht de fabrikant te informeren over een implantatie. In Nederland moeten implantaties met bepaalde hulpmiddelen (zie inclusielijst Nictiz) wel worden geregistreerd in het Landelijke Implantaten Register (LIR). Hierdoor krijgt de overheid mogelijkheden, waarvan je eigenlijk wilt dat ook fabrikanten, vanwege hun verantwoordelijkheid voor geïmplanteerde hulpmiddelen, over beschikken. De verplichting voor zorgaanbieders om implantaten in het LIR te registreren staat in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Daarnaast zijn zorgverleners verplicht bepaalde informatie te verstrekken en vast te leggen. Het gaat bij elkaar om:

  • het vastleggen van implantaatgegevens in het dossier van de betrokken patiënt. Dit moeten zij doen op een manier dat ze het implantaat snel kunnen herleiden tot de patiënt;
  • het schriftelijk verstrekken van deze implantaatgegevens aan de patiënt;

Dat laatste kan dus middels de implantaatkaart, die met de komst van de MDR verplicht wordt gesteld.

Ervaringen uit de praktijk met de registratie bij zorgaanbieders in Amerika heeft geleerd dat:

  • Nauwkeurige traceerbaarheid automatisering vereist om de jammerlijk onnauwkeurige registratie te voorkomen die inherent is aan de op papier gebaseerde systemen.
  • Kwaliteitssystemen van zorgaanbieders moeten centraal staan om de discipline te waarborgen die nodig is om de nodige registraties te creëren en bij te houden om up-to-date tracking te waarborgen.

ISO 16054:2019 Chirurgische implantaten – Minimale gegevenskaarten voor chirurgische implantaten beschrijft de minimale dataset om tracking te bereiken. ISO 16054 vereist dat bij elke stap in de keten de identiteit en het adres van de fabrikant, de implantaatbeschrijving, het catalogusnummer en het serienummer of partijnummer worden vastgelegd. De voorgaande versie ISO 16054:2000 sloeg niet aan bij de zorgverleners. Ziekenhuizen waren vooral afhankelijk van papieren dossiers en kwaliteitssystemen in ziekenhuizen waren niet effectief. Nu hebben we bij de meeste stappen van de toeleveringsketen kwaliteitssystemen geïmplementeerd, een elektronisch medisch dossier, toenemende standaardisatie van de onderliggende processen inclusief barcodes en RFID-tagging en nu is er een consensus over de inhoud van de UDI-gegevens set. Het lijkt er dus op dat na 25 jaar of meer proberen, de internationale consensus en de geautomatiseerde tools eindelijk zijn gearriveerd om tracking te bereiken.

Dat maakt het des te bizar dat de Europeanen te midden van al deze automatisering en elektronisch archiveren implantaatkaarten overwegen. Een van de lessen uit het verleden was dat implantaatkaarten tijdverspilling zijn. Patiënten verliezen vaak kort na de operatie hun implantaatkaart (als ze überhaupt aan de patiënt worden meegegeven). De patiënt is immers aan het herstellen van een grote operatie en heeft meer zorgen dan dat kleine kaartje zorgvuldig op te bergen. Voor de patiënten is het wel belangrijk te weten welk implantaat zij dragen, zodat zij eventueel een andere zorgaanbieder hierover nauwkeurig kunnen informeren, bijvoorbeeld t.b.v. nazorg, in geval van aanvullende of overige behandelingen of ongevallen. Patiënten kunnen met de informatie op de implantaatkaart ook informatie betreffende het hulpmiddel en de fabrikant opvragen in EUDAMED of klachten met implantaten melden. In Nederland kunnen patiënten bijvoorbeeld zelf een klacht melden bij het Meldpunt Bijwerkingen Implantaten. Patiënten krijgen tenslotte via de implantaatkaart aanvullende informatie over het implantaat waaronder:

  • waarschuwingen bij gebruik van het hulpmiddel en voorzorgsmaatregelen;
  • de verwachte levensduur van het hulpmiddel;
  • het veilig gebruik van het hulpmiddel door de patiënt.

De Medical Device Coordination Group heeft recentelijk richtlijn MDCG 2019-8 uitgegeven met aanwijzingen voor implantaatkaarten. Bijzonder hierbij is dat de MDR vereist dat de bovengenoemde aanvullende informatie alleen hoeft te worden verstrekt door middel van vermelding van de betreffende website van de fabrikant, waarop deze informatie is terug te vinden. Hierbij dan toch wat digitalisering. Ook in Australië worden implantaatkaarten ingevoerd. Volgens de TGA richtlijn Medical device patient information leaflets and implant cards Requirements for new and on-market implantable medical devices is ook vermelding van de website vereist. Meer informatie moet in een patiënten brochure worden opgenomen. Een dergelijke brochure wordt ook door de MDCG aanbevolen, maar dan ten behoeve van de invulinstructies voor de implantaatkaart en een verklaring van de gebruikte symbolen. De MDCG geeft suggesties voor te gebruiken symbolen, de TGA geeft geen voorbeelden, maar laat het gebruik van symbolen wel toe.

De MDCG doet ook wat ingewikkeld over het gebruik van stickers voor het op maat maken van de implantaatkaart. Veel fabrikanten hebben voor de Amerikaanse markt al implantaatkaarten ontwikkeld. Goed gebruik is om bij de product labels een peel-off sticker te leveren die op de implantaatkaart geplakt kan worden. Deze sticker omvat de vereiste informatie met betrekking tot het specifieke hulpmiddel (naam, model, serienummer, UDI). Met deze ene sticker kan dus een generieke implantaatkaart worden ontworpen voor alle producten of een specifieke productgroep die door de fabrikant op de markt worden gebracht. De MDCG richtlijn prefereert dat een sticker alleen de type omschrijving omvat, of dat er meerdere stickers worden geleverd voor elk informatietype (model omschrijving, UDI, serienummer, fabrikant naam, adres en website. In beide gevallen een zeer omslachtige werkwijze. Met alleen de type omschrijving op de sticker kan de implantaatkaart niet generiek worden ontworpen, wat voor het verpakkingsproces een risico van verwisseling introduceert. Losse stickers is natuurlijk ook erg onpraktisch, waarbij de fabrikant zijn naam, adres en website generieke informatie is en niet via een sticker hoeft te worden aangebracht. Mijn advies zou zijn om de richtlijn hierin maar richtlijn te laten zijn en alle informatie op 1 enkele sticker aan te brengen.

De Europese MDR vereist ook dat de zorgverlener kenbaar wordt gemaakt op de implantaatkaart. Amerika en Australië kennen deze vereiste niet. De TGA richtlijn geeft wel het advies dat de fabrikant voor deze informatie ruimte reserveert op de implantaatkaart. De MDCG richtlijn interpreteert artikel 18.2 van de MDR ook zodanig dat de patiënt moet worden geïdentificeerd op de implantaatkaart. De verwoording in MDR artikel 18.2 is hierin niet helemaal helder, waardoor ik mij afvraag of dit de werkelijke intentie van de MDR was. Het toevoegen van de patiënt identificatie levert geen toegevoegde waarde voor de gebruiker van de kaart (de patiënt weet wel wie hij/zij is) en bij verlies van de kaart is vertrouwelijke medische informatie direct te koppelen aan de persoon. Ik zou hierover graag nog enige duidelijkheid zien, omdat ik goede redenen zie om de richtlijn niet direct te volgen en in lijn met de Amerikaanse en Australische richtlijnen deze informatie weg te laten.

Advertenties

Harmonisatie van normen onder MDR/IVDR

14 juli 2019

normen

De Europese Commissie (EC) heeft het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) verzocht herzieningen van bestaande normen op te stellen en nieuwe normen te creëren ter ondersteuning van de EU verordeningen voor medische hulpmiddelen en de in-vitrodiagnostiek (MDR) / IVDR).

De geharmoniseerde normen moeten worden herzien om rekening te houden met de vereisten van Verordening (EU) 2017/745 en Verordening (EU) 2017/746 en de noodzaak om de overeenstemming tussen de verordeningen en de normatieve technische specificaties te specificeren.

Het ontwerp-normalisatieverzoek heeft een deadline voor feedback op 25 juli en voor elk van de verordeningen presenteert de EC twee lijsten van bestaande normen die moeten worden herzien en twee lijsten voor de ontwikkeling van nieuwe normen.

De normen behandelen vereisten voor regelgevingsdoeleinden met betrekking tot productontwikkelingsprocessen, waaronder sterilisatie, biologische evaluatie, verpakking, aseptische verwerking, klinisch onderzoek en labeling.

Bijlage I bij het ontwerp-normalisatieverzoek somt 57 bestaande normen op die moeten worden herzien ter ondersteuning van MDR, terwijl bijlage II 39 bestaande normen ter ondersteuning van IVDR bevat. In beide bijlagen worden zes en vier normen genoemd die moeten worden opgesteld ter ondersteuning van respectievelijk MDR en IVDR.

Voor de meeste normen is de deadline voor normalisatie vastgesteld op 27 mei 2024, een dag na de toepassing van IVDR. Voor een beperkt aantal normen valt de deadline samen met de toepassing van de MDR op 26 mei 2020. Hieronder vallen EN ISO 13485: 2016 / AC: 2018, EN ISO 14971:2012, EN ISO 15223-1:2016 en EN ISO 14155:2011+AC:2011. De herziening van ISO 14971 en ISO 14155 zijn momenteel in ontwikkeling en worden mogelijk afgerond voordat harmonisatie van de voorgaande versie zal hebben plaatsgevonden. De normcommissie voor ISO 14971 heeft reeds aangegeven dat de nieuwe versie van de norm niet volledig in overeenstemming zal worden gebracht met de Europese wetgeving, omdat andere internationale wetgeving dit niet toelaat. Een beschrijving van discrepanties in de Z-bijlagen zal dus noodzakelijk blijven. Voor enkele belangrijke normen komt de harmonisatie veel te laat. De EN 60601-serie met betrekking tot elementaire veiligheid en essentiële prestaties van medische apparatuur moet bijvoorbeeld worden goedgekeurd op 27 mei 2024, vier jaar na de datum van toepassing van de MDR op 26/5/2020.

De EC zegt dat haar besluit betrekking moet hebben op “horizontale normen die beantwoorden aan de behoeften van de meest uiteenlopende actoren van de markt” en “een latere aanpassing mogelijk maken van semi-horizontale en hulpmiddel specifieke normen die kunnen voortvloeien uit of een aanvulling vormen op de horizontale normen.”  Maar “in de toekomst kunnen ook aanvullende systeem- of processtandaarden nodig zijn”, voegt de EC eraan toe.

CEN en de CENELEC hebben één maand vanaf de dag van ontvangst van het EC-ontwerp voor standaardisatieverzoek om het te accepteren. In bijlage III worden de algemene en specifieke vereisten uiteengezet die CEN en CENELEC moeten volgen om de werkzaamheden aan de normen binnen de gestelde termijnen te voltooien. Er moet ook een nieuw werkprogramma voor CEN- CENELEC aan de EC worden voorgelegd.

Het besluit van de EC werd lang verwacht door de industrie. Het niet beschikbaar zijn van MDR/IVDR geharmoniseerde normen verhindert fabrikanten om normen toe te passen om overeenstemming met de algemene eisen voor veiligheid en prestatie zoals vastgelegd in de MDR en IVDR te claimen, rekening houdend met de algemeen erkende state-of-the-art. Het is mogelijk dat state-of-the-art niet in overweging wordt genomen bij de conformiteitsbeoordeling door aangemelde instanties als fabrikanten de editie van een norm zouden toepassen die wordt vermeld in de huidige bijlagen I of II.

Is de nieuwe MDR nadelig voor patiënten

16 juni 2019

medischehulpmiddelen

Het idee achter de nieuwe Europese regelgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) en in-vitro diagnostische hulpmiddelen (IVDR) is het waarborgen van de gezondheid van patiënten door alleen veilige en effectieve hulpmiddelen op de markt toe te laten. De bewijsvoering die fabrikanten van medische hulpmiddelen moeten aanleveren in hun technische dossiers is enorm toegenomen, met name voor invasieve hulpmiddelen (implantaten en andere hulpmiddelen die in het menselijk lichaam worden toegepast). In het bijzonder zijn de eisen met betrekking tot klinische informatie en gegevens over de biologische veiligheid (zie mijn vorige blog over zeer zorgwekkende stoffen in medische hulpmiddelen) beduidend strikter geworden. Fabrikanten moeten daarom veel meer onderzoek doen om de benodigde gegevens voor de conformiteitsbeoordeling door de aangemelde instantie te verzamelen. Dit onderzoek kost de fabrikant meer tijd om een nieuw of gewijzigd product op de markt te brengen. Daarnaast is het op dit moment volledig onduidelijk hoe deze gegevens door de aangemelde instanties beoordeeld moeten gaan worden. Richtlijnen hierover zijn niet gepubliceerd. Ook mogen de aangemelde instanties hierover niet aan verwachtingsmanagement voldoen, omdat de Europese Commissie hen in alle toonaarden verbiedt om, in welke vorm dan ook, advies te geven. Dus geen white papers te verwachten van die kant.

Fabrikanten zitten dus in een situatie dat meer investeringen nodig zijn om een medisch hulpmiddel toegelaten te krijgen op de Europese markt, waarbij de succesgraad van die investeringen onvoorspelbaar is. Bij het ontwikkelen van nieuwe producten wordt echter niet alleen naar de Europese markt gekeken, maar ook naar andere markten. Als onderdeel van het ontwerpplan wordt een regulatory strategy opgezet waarin wordt bepaald op welke markten het product zal worden geregistreerd en in welke volgorde. Europa stak hier in het MDD tijdperk gunstig af: duidelijke regelgeving, waarbij klinische informatie vaak in de post-market fase (dus na registratie op basis van de eerste gebruikerservaringen) verzameld mocht worden. Europa had hierdoor vaak als eerste beschikking over nieuwe producten, niet alleen van Europese fabrikanten, maar ook van Amerikaanse. Een Amerikaanse topambtenaar zei hierover: Europeanen zijn de “proefkonijnen” voor onze markt. Deze karakterisering van de regelgeving werd toentertijd krachtig afgewezen door de Europe Commissie. Maar de Europese Commissie heeft wel de regelgeving aangescherpt, waarmee dit tijdperk voorbij is. Sterker nog, met de MDR lijkt het omgekeerde te gaan gebeuren. Een registratie door de FDA ten behoeve van de Amerikaanse markt is betrouwbaarder en sneller en dus komen nieuwe producten eerst op de Amerikaanse markt.

Naast zijn beveiligende werking, heeft striktere regelgeving dus ook een schaduwzijde. Het duurt langer voordat een innovatief hulpmiddel op de markt komt. Daarbij zitten hulpmiddelen waar een grote behoefte aan bestaat omdat de bestaande alternatieve behandelingen niet de veilige of effectieve oplossing bieden die de zorg voor patiënten vraagt. De vertraging door het langere registratietraject is daarin een bescheiden factor. De grootste vertraging zal ontstaan doordat de Europese patiënten achteraan moeten sluiten bij de Amerikanen, Chinezen, Brazilianen, Australiërs, et cetera, wat betreft de registratie. Alleen de Canadezen zijn nog zuurder uit, omdat hun overheid een audit volgens het Medical Device Single Audit Program (MDSAP) principe heeft geëist. De kosten voor dit programma zijn zo hoog, dat veel fabrikanten het registreren van hun hulpmiddel op de Canadese markt zijn gestopt.

Dat brengt mij bij het stoppen van bestaande registraties. Ook dat zal gebeuren. Op dit moment zijn er rond de 550.000 hulpmiddelen in Europa geregistreerd. Al deze producten moeten opnieuw worden beoordeeld tegen de striktere MDR. Dat betekent dat ook voor deze producten mogelijk meer onderzoek gedaan moet worden om te bewijzen dat het product aan de veiligheids- en prestatie-eisen voldoet. Dat terwijl het product al jaren op de markt is en geen noemenswaardige klachten geeft. De media wil het publiek laten geloven dat het merendeel van de fabrikanten van medische hulpmiddelen boeven zijn en dat elk implantaat een tijdbom is. Maar dat is helemaal niet op feiten berust. Ja, er zijn voorbeelden te vinden van producten en gedragingen van fabrikanten waarover wij ons zorgen moeten maken. Maar de producten die de media als voorbeeld gebruiken zijn niet representatief voor alle 550.000 producten die op de Europese markt beschikbaar zijn, integendeel. Ook is niet elke fabrikant een Jean-Claude Mas, de frauduleuze oprichter van Poly Implant Prothèse (PIP). Zelfs de multinationals die met een onveilig product als graaiers en charlatans met hun mooie credo’s worden weggezet, hebben naast het onveilige product een meervoud aan producten die patiënten veel verlichting bieden en soms zelfs levensreddend zijn. Striktere regelgeving was dus niet nodig voor het grote deel van de medische hulpmiddelen die inherent veilig blijken te zijn en waarin de MDD regels voldoende waarborging boden van deze veiligheid. De vele goeden moeten dus lijden onder de paar slechten. De goeden zijn vaak de kleine MKB-ers die veel dichter op hun product en hun eindgebruikers staan. Hun directie is nog niet overgenomen door investeerders die meer naar de winst- en groeicijfers kijken dan naar de patiënt en zorgverlener die zij een oplossing bieden. Alleen lijken nu juist deze MKB-ers het niet meer te kunnen opbrengen om de MDR regels na te leven. Dat gaat tot afname leiden van het aantal succesvolle medische hulpmiddelen dat beschikbaar is op de markt.

Natuurlijk moet ook gezegd worden dat veel producten van de markt zullen worden gehaald waarbij een investering in de technische documentatie niet rendabel is omdat het product niet voldoende marktwaarde meer heeft. Vooral in oude producten zal veel geïnvesteerd moeten worden om de technische documentatie aan te vullen met het benodigde bewijs. Een deel van deze producten is achterhaald en betere alternatieven zijn en blijven beschikbaar op de markt. Dat kan worden gezien als een mooie schoonmaakactie. Maar dat wil niet zeggen dat alle oude producten geen waarde meer hebben. Het verlies van een aantal producten zal schade opleveren voor patiënten die van dit product afhankelijk zijn. In het algemeen zijn de oudere producten ook de wat goedkopere producten. De gemiddelde prijs van een hulpmiddel zal hierdoor dus toenemen. Ook de extra investeringen in onderzoek moeten natuurlijk terugverdiend worden. Nu zal iedereen roepen dat die multinationals toch al teveel verdienen aan hun producten, maar bij de vele MKB-ers is het vaak financieel heel krap. Het financiële risico voor start-ups wordt enorm vergroot en de kans is groter dat het succes van goede innovatieve hulpmiddelen in een lege geldkist zal worden gesmoord.

De nieuwe Europese regelgeving is in 2017 gepubliceerd en zal op 26 mei 2020 van kracht worden. Tot die tijd hebben fabrikanten de tijd om de technische documentatie en hun kwaliteitssysteem op orde te brengen. Maar veel fabrikanten zijn nog niet ver gevorderd. Dat heeft een aantal redenen: eerst moest ISO 13485:2016 ook nog even worden ingevoerd, er is groot gebrek aan RA officers die voldoende kennis hebben van alle (nieuwe) regelgevingseisen (want niet alleen in Europa zijn er veranderingen), en er zijn nog geen richtlijnen opgesteld die de RA officers ondersteunen en stimuleren bij het invoeren van de nieuwe MDR eisen. De Europese commissie geeft nog steeds aan dat de invoering van de MDR op 26 mei 2020 haalbaar is. Misschien voor hun wel, maar niet meer voor veel fabrikanten. Wanneer je als fabrikant nu nog op geen enkele manier begonnen bent met het invoeren van MDR, dan ga je het niet meer redden. Zeker niet als je een hulpmiddel hebt dat in de hogere risicoklassen (IIb en III) valt. Ik ken genoeg bedrijven die in deze situatie zitten. Vaak zijn dit bedrijven die ook op andere manieren economische problemen hebben. Multinationals hebben het financiële vermogen en voldoende kennis in huis om aan de strikte regelgeving te voldoen. Maar de medische technologie sector bestaat in verhouding uit veel meer MKB bedrijven, waar het aantal medewerkers vaak niet eens de 10 overstijgt. Vaak zijn het ook nog start-ups die hun eerste schreden zetten op deze complexe markt. Heb daar maar eens voldoende kennis van klinische evaluatie, biocompatibiliteit van verschillende substanties, post-market surveillance, vigilantie, et cetera. Ik kom dat zelden tegen. Dat werd ook bevestigd tijdens de Springboard bijeenkomst van afgelopen vrijdag, waarin MKB bedrijven hun zorgen uitten over de kennis die zij beschikbaar kunnen hebben. En dan moet je ook nog een voor de naleving van de regelgeving verantwoordelijke persoon aanstellen en de marktdeelnemers in je distributieketen beheersen.

Juist dat soort bedrijfjes hebben belang bij duidelijkheid door middel van richtlijnen. Ik vind het onbegrijpelijk dat een overheid kan stellen dat invoering van de MDR op 26 mei 2020 haalbaar is, terwijl zij op geen enkele wijze duidelijkheid biedt aan dit soort bedrijven, en aangemelde instanties op de huid zitten om elke vorm van advies voor dit soort bedrijven na te laten. Daarbij is het nog maar de vraag hoeveel aangemelde instanties overblijven voor het vele extra werk dat er ligt. Er zijn op dit moment veel meer aangemelde instanties gestopt, dan dat er door de Europese Commissie zijn erkend (2 stuks, waarvan 1 in het Verenigd Koninkrijk). Pas als die aangemelde instanties zijn erkend, kunnen zij aan de slag om technische documentatie te beoordelen tegen de nieuwe eisen. Een aantal daarvan moet voor 26 mei 2020 zijn beoordeeld, omdat het hulpmiddel (met name in-vitro diagnostische hulpmiddelen) na deze datum in een hogere risicoklasse valt. Het hulpmiddel mag dan niet onder de oude MDD regels op de markt worden geplaatst, omdat de registratie per 26 mei 2020 vervalt. Ondertussen zijn er veel fabrikanten die nog een wijziging aan hun product willen doorvoeren en dit het liefst doen onder de huidige MDD regelgeving. Maar daar hebben de aangemelde instanties nauwelijks meer tijd voor nu hun erkenning zo op zich laat wachten. Heeft de fabrikant de beoordeling van de wijziging nu nog niet ingepland bij de aangemelde instantie, kom dan maar na mei 2020 weer eens terug met technische documentatie die op alle fronten voldoet aan de MDR. Met andere woorden, productverbeteringen moeten op dit moment door fabrikanten worden uitgesteld, omdat aangemelde instantie ze niet meer kunnen beoordelen. Dit staat natuurlijk haaks op het belang van patiënten.

De roep aan de Europese Commissie om ook oog te hebben voor de negatieve gevolgen van de MDR wordt steeds luider. Ten eerste om snelle voortgang te maken met het publiceren van richtlijnen ter ondersteuning aan fabrikanten. Ten tweede om snelle voortgang te maken met het erkennen van aangemelde instanties. Ten derde om coulance te bieden voor hulpmiddelen die van belang zijn voor patiënten en die historisch bewezen veilig zijn. Coulance die verder reikt dan de soft implementatie mogelijkheden die de MDR nu biedt. Ten vierde om voortgang te maken met de gemeenschappelijke specificaties die duidelijkheid bieden voor de benodigde technische documentatie voor specifieke groepen medische hulpmiddelen.

Op 15 april schreef MedTech Europe al een open brief aan de Europese Commissie om aandacht te vragen voor de knelpunten. Zelfs sommige Europese lidstaten beginnen zich ook zorgen te maken. De Duitsers en de Ieren vestigden de aandacht op het knelpunt van de beschikbaarheid van aangemelde instanties tijdens de zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken op 14 juni 2019.

En om nog even terug te komen op de Springboard bijeenkomst van afgelopen vrijdag, ook medische hulpmiddelen bedrijven zullen oplossingen moeten zoeken voor hun gebrek aan kennis om overeenstemming met de MDR regels te bereiken. Meer kennisdeling en samenwerking tussen MKB bedrijven lijkt daarin een noodzakelijke overlevingsstrategie. Als meer MKB bedrijven hierin een oplossing zien en kennisdeling willen opstarten, dan hoor ik dat graag en kunnen we de mogelijkheden van bestaande samenwerkingsverbanden als Springboard, MedTech Park Emmen en de Health Hub Roden onderzoeken.

Zeer Zorgwekkende Stoffen in medische hulpmiddelen (deel 3)

4 juni 2019

medischehulpmiddelen

In deze blogserie een overzicht van de verschillende stoffen die in medische hulpmiddelen beperkt mogen worden gebruikt. In dit laatste deel gaan we in op het gebruik van nanomaterialen. In voorgaande blogs is het gebruik beschreven van Zeer Zorgwekkende Stoffen zoals vastgesteld binnen de REACH verordening (deel 1) en biologische stoffen, latex en siliconen (deel 2).

Nanomaterialen in Medische Hulpmiddelen

Gedurende vele jaren wordt de term “nanodeeltjes” veelvuldig als een algemene term voor zeer kleine deeltjes gebruikt in reclame voor met name cosmetische producten. Daarbij worden de nanodeeltjes magische krachten toegedicht. Met nanotechnologie zijn ook medische hulpmiddelen fabrikanten in staat deeltjes te fabriceren die gunstige effecten kunnen hebben op de prestatie van medische hulpmiddelen. Ze worden in coating van implantaten gebruikt om afweer reacties te voorkomen. Nanodeeltjes kunnen heel gericht medicijnen op hun plek in het lichaam brengen waar het nodig is. Paradoxaal genoeg zijn het de unieke eigenschappen die worden gebruikt voor deze functie (bijvoorbeeld hoge oppervlakteactiviteit en het vermogen om celmembranen te passeren) ook die zorgen voor negatieve gevolgen voor de gezondheid. De snelle vooruitgang bij de ontwikkeling en het gebruik van nanomaterialen is nog niet geëvenaard door nanotoxicologisch onderzoek. Nanotoxicologisch onderzoek richt zich op de gezondheidseffecten van zeer kleine onoplosbare deeltjes. Nanotoxicologie gaat ervan uit dat niet alleen de chemische samenstelling van belang is voor de toxicologische effecten, maar ook de deeltjesgrootte. De effecten veranderen met name als deeltjes kleiner worden als 1 micrometer, vandaar dat in de regelgeving wordt gesproken over 1-100 nm deeltjes. Een risicoanalyse blijft echter lastig als er weinig toxicologische kennis beschikbaar is.

Voor het aantonen van overeenstemming van een medisch hulpmiddel met de algemene veiligheids- en prestatie-eisen, moet aan de volgende vereiste worden voldaan:

Hulpmiddelen moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat de risico’s in verband met de grootte en de eigenschappen van deeltjes die in het lichaam van de patiënt of de gebruiker terechtkomen of kunnen terechtkomen, zo veel mogelijk worden beperkt, tenzij ze alleen met gave huid in contact komen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar nanomaterialen.

De MDR bevat echter de volgende verklaring:

“Er bestaat wetenschappelijk onzekerheid omtrent de risico’s en voordelen van voor hulpmiddelen gebruikte nanomaterialen. Met het oog op een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, het vrije verkeer van goederen en de rechtszekerheid voor fabrikanten moet een uniforme definitie voor nanomaterialen worden vastgesteld op basis van Aanbeveling 2011/696/EU van de Commissie (4), waarbij de nodige flexibiliteit bestaat om die definitie aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang en toekomstige ontwikkelingen op regelgevingsgebied op Unie- en internationaal niveau. De fabrikanten moeten bij het ontwerp en de vervaardiging van hulpmiddelen bijzonder voorzichtig te werk gaan wanneer zij gebruikmaken van nanodeeltjes waarbij de kans op inwendige blootstelling groot of middelgroot is. Dergelijke hulpmiddelen moeten aan de strengste conformiteitsbeoordelingsprocedure worden onderworpen.”

Dit staat dan in artikel 2 Definities als volgt:

18) „nanomateriaal”: een natuurlijk, incidenteel of geproduceerd materiaal dat uit deeltjes bestaat, hetzij in ongebonden toestand of als een aggregaat of agglomeraat en waarvan minstens 50 % van de deeltjes in de gekwantificeerde grootteverdeling een of meer externe dimensies bezitten binnen het bereik van 1-100 nm. Fullerenen, grafeenvlokken en enkelwandige koolstofnanobuizen met één of meer externe dimensies beneden 1 nm worden ook als nanomaterialen beschouwd;

De mogelijke toestanden waarin nanomaterialen te vinden zijn, worden ook in meer detail gedefinieerd:

19) „deeltje”: voor de definitie van nanomateriaal in punt 18, een minuscuul stukje materie met afgebakende fysieke grenzen;

20) „agglomeraat”: voor de definitie van nanomateriaal in punt 18, een verzameling los met elkaar verbonden deeltjes of aggregaten waarvan de totale externe oppervlakte gelijk is aan de som van de oppervlakten van de individuele componenten;

21) „aggregaat”: voor de definitie van nanomateriaal in punt 18, een deeltje dat uit sterk verbonden of gefuseerde deeltjes bestaat; Als producten of componenten onder deze definities vallen, moet ook de nieuwe indelingsregel 19 worden toegepast:

Desondanks blijft nanomateriaal een lastig begrip. In het bijzonder gaat het om het beperken van de risico’s als gevolg van de specifieke dimensionele eigenschappen van de deeltjes. Waar hier bewust gebruik van wordt gemaakt, spreekt men van nanotechnologie, wat ook in de medische hulpmiddelen industrie zijn intrede heeft gedaan. Nanomaterialen hebben echter ook de eigenschap om vrij beschikbaar te komen in het lichaam, ook daar waar het niet bedoeld is. Een specifieke risicobeoordeling moet daarom worden uitgevoerd voor elk nanomedisch hulpmiddel.

Na een openbare raadpleging, heeft het wetenschappelijk comité van de EU voor nieuwe gezondheidsrisico’s (SCENIHR) in januari 2015 een rapport uitgebracht over de bepaling van potentiële gezondheidseffecten van nanomaterialen gebruikt in medische hulpmiddelen. Het rapport bepleit een op risico’s gebaseerde benadering door hulpmiddelen te classificeren op basis van invasiviteit (niet-invasief en invasief), vrijheid van de nanodeeltjes (vrij, vast en ingebed) en het potentieel voor vrijgave (onbedoeld vrijgegeven in het lichaam of opzettelijk bedoeld om te worden vrijgelaten). Door middel van MDR bijlage VIII classificatieregel 19 worden hulpmiddelen die nanomaterialen bevatten of daaruit bestaan als volgt ingedeeld:

  • Klasse III als ze een hoog of middelmatig potentieel hebben voor interne blootstelling;
  • Klasse IIb als ze een laag potentieel voor interne blootstelling hebben, en
  • Klasse IIa als ze een onbeduidend potentieel hebben voor interne blootstelling.

Het SCENIHR rapport geeft medische hulpmiddelen met de hoogste potentieel voor vrijgave van nanomaterialen als volgt aan:

  • Hulpmiddelen waarbij het nanomateriaal bedoeld is om te worden vrijgegeven
  • Hulpmiddelen die zijn samengesteld uit vrije nanomaterialen
  • Hulpmiddelen die vrije nanomaterialen bevatten
  • Hulpmiddelen met nanomaterialen aanwezig als coating op het hulpmiddel afgeven of waarvan ze losraken
  • Chemische afbraak of slijtageprocessen als gevolg van (bio)afbraak van medische hulpmiddelen
  • Nanomaterialen gemalen, gepolijst of gevormd tijdens het gebruik van het hulpmiddel

Het SCENIHR rapport bevat ook richtlijnen over geschikte karakteriseringsmethoden voor nanomaterialen op basis van te analyseren karaktereigenschappen, waaronder: chemische samenstelling, deeltjesgrootte, fysieke vorm en morfologie en oppervlakte eigenschappen. Ook de wijze van lichamelijke blootstelling (invasief of non-invasief) moet worden meegewogen in de risicobeoordeling.

In 2017 is door ISO een technisch rapport uitgegeven voor de biologische evaluatie van nanodeeltjes: ISO/TR 10993-22:2017. De norm pleit voor het stellen van drie fundamentele vragen bij het evalueren van nanomaterialen:

  • Fysieke beschrijving: hoe ziet het eruit?
  • Chemische samenstelling: waar is het van gemaakt?
  • Extrinsieke eigenschappen: hoe reageert het op de omgeving?

Tenslotte heeft de Europese Commissie verordening (EU) 2018/1881 gepubliceerd teneinde in de REACH regelgeving rekening te houden met nanovormen van stoffen.

Meer achtergrondinformatie over nanotechnologie is te vinden op de nanotechnologie website van de BSI, waar ook publiekelijk beschikbare normen gratis zijn te downloaden.

Zeer Zorgwekkende Stoffen in medische hulpmiddelen (deel 2)

3 juni 2019

medischehulpmiddelen

In deze blogserie een overzicht van de verschillende stoffen die in medische hulpmiddelen beperkt mogen worden gebruikt. In dit deel gaan we in op het gebruik van biologische stoffen, latex en siliconen. In een voorgaande blog is het gebruik beschreven van Zeer Zorgwekkende Stoffen zoals vastgesteld binnen de REACH verordening (deel 1). In deel 3 van deze blogserie gaan we in op nanomaterialen.

Biologische stoffen

Het zal voor de meeste fabrikanten gemakkelijk zijn om te beslissen of hun product een zogenaamde biologische substantie bevat of niet. Dit zijn ofwel “weefsels van dierlijke oorsprong” of “derivaten van menselijk bloed”. Aangezien dit uitzonderlijke componenten zijn, weet elke fabrikant meestal wel of deze stoffen in het product aanwezig zijn.

Volgens de MDD (93/42/EEG) moet voor medische hulpmiddelen die zijn vervaardigd met niet-levensvatbaar dierlijk weefsel of producten die zijn afgeleid van niet-levensvatbaar dierlijk weefsel in overeenstemming met Richtlijn 2003/32/EG betreffende medische hulpmiddelen die zijn vervaardigd met gebruikmaking van weefsel van dierlijke oorsprong worden gevolgd. De richtlijn specificeert de vereisten voor deze specifieke productcategorie en is daarom van toepassing naast de MDD. Deze richtlijn is echter in 2012 vervangen door verordening (EU) 722/2012, waarnaar dan ook in de MDR wordt gerefereerd.

Als een medisch hulpmiddel stoffen of derivaten bevat die zijn afgeleid van menselijk bloed (geneesmiddelen of bestanddelen die zijn afgeleid van menselijk bloed of menselijk plasma) zoals gedefinieerd in Richtlijn 2001/83/EG, wordt het Europees Geneesmiddelenbureau betrokken bij de beoordelingsprocedure door de aangemelde instantie.

Volgens punt 6.2 van bijlage II van de MDR inzake de structuur van technische documentatie moet relevante informatie worden verstrekt in het geval hulpmiddelen gebruikmaken van “weefsels of cellen van menselijke of dierlijke oorsprong of derivaten daarvan”. Er kan echter ook van worden uitgegaan dat sommige autoriteiten (binnenlands of buitenlands) in principe een verklaring verwachten in deze paragraaf of het hulpmiddel dergelijke stoffen niet bevat.

Latex en Silicone

Latex is natuurlijk rubber dat wordt gewonnen van de rubberboom. Vervolgens wordt het verwerkt met gebruik van verschillende chemische additieven tot een materiaal dat gunstige eigenschappen heeft, met name het vermogen om buig-, rek- of pulserende krachten te weerstaan. Al tientallen jaren wordt latex gebruikt in medische hulpmiddelen als tourniquets en als slangen voor hulpmiddelen die worden gebruikt voor vloeistofoverdracht. De pandemie van het humaan immunodeficiëntievirus (HIV), die plaatsvond in de jaren tachtig, leidde tot een aanzienlijke toename van de vraag naar latexhandschoenen en condooms. Het toegenomen gebruik van latex tijdens deze periode leidde eveneens tot een toename van meldingen van latexallergieën. Volgens sommige rapporten heeft tussen de 8 en 17 procent van de werknemers in de gezondheidszorg latexallergie. Ook patiënten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan bijvoorbeeld latexkatheters, ondervinden nadelige effecten. Bij kinderen met Spina Bifida is gevoeligheid voor latex aangetoond, variërend van 30 tot 41 procent. Dit heeft ertoe geleid dat latex waar mogelijk moet worden vermeden, zelfs als spoorelement als gevolg van contact met latex tijdens de productiewerkzaamheden van het medisch hulpmiddel. In cleanrooms worden daarom geen latexhandschoenen toegelaten. Wanneer het hulpmiddel toch latex bevat, moet dit volgens de FDA regelgeving op de etikettering worden vermeld. In de Europese MDR komt latex alleen als vermelding voor in de UDI database. Wel moeten in overeenstemming met bijlage I 23.4s allergenen in het algemeen in de gebruiksaanwijzing worden vermeld:

voorzorgsmaatregelen met betrekking tot in het hulpmiddel opgenomen materialen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit CMR- of hormoonontregelende stoffen die bij de patiënt of de gebruiker tot overgevoeligheid of een allergische reactie zouden kunnen leiden;

Siliconen zijn een alternatief voor latex. Het gebruik van siliconen voor medische hulpmiddelen begon in 1946, toen siliconen aan glaswerk werd toegevoegd om de bloedstolling te ontmoedigen. Rond dezelfde tijd implanteerde chirurg F. Lahey een siliconen buis voor kanaalreparatie bij biliaire chirurgie. Siliconen worden wijdverbreid gebruikt, waaronder in o-ringen, stoppers van injectiespuiten, dialyse filters, et cetera. Maar siliconen zijn vooral bekend geworden van borstimplantaten.

Siliconefabrikanten hebben speciaal medisch siliconenmateriaal ontwikkeld dat voldoet aan de veiligheids- en prestatie-eisen van regelgevers. Met behulp van een intern certificeringsproces maken fabrikanten gebruik van een reeks tests die zijn geproduceerd door de United States Pharmacopeia (USP). Elke test certificeert het niveau van biocompatibiliteit voor een bepaald siliconenmateriaal en bepaalt de geschiktheid voor gebruik in medische hulpmiddelen. Maar dan moet je deze geclassificeerde materialen natuurlijk wel toepassen, wat bij het PIP-schandaal niet is gebeurd. Maar zelfs dan ligt het gebruik van siliconen nog onder vuur. Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat siliconen borstimplantaten nanodeeltjes siliconen loslaten, die overal in het lichaam terug te vinden zijn en daar schadelijke effecten kunnen hebben. In de volgende blog gaan we nader in op nanomaterialen.

Zeer Zorgwekkende Stoffen in medische hulpmiddelen (deel 1)

2 juni 2019

medischehulpmiddelen

De Europese Medische Hulpmiddelen Verordening (MDR) beperkt het toepassen van bepaalde stoffen waarvan bekend is dat ze carcinogeen, mutageen of giftig zijn voor reproductie boven een bepaalde drempel, evenals bepaalde stoffen waarvan bekend is dat ze hormoonontregelende eigenschappen hebben. De verordening schrijft voor dat als dergelijke stoffen in het product aanwezig zijn, deze duidelijk op het hulpmiddel zelf en / of op het label aangegeven moeten worden. Er zijn bepaalde gevallen waarin gebruikers ook voorzorgsmaatregelen moeten treffen, zoals wanneer het hulpmiddel bedoeld is om kinderen of zwangere vrouwen te behandelen. Deze moeten door de fabrikant in de gebruiksaanwijzing worden aangegeven.

Om dit alles te bereiken moeten fabrikanten ervoor zorgen dat zij op de hoogte zijn van de volledige samenstelling van hun product om te bepalen of het hulpmiddel één van de beperkte stoffen in een concentratie boven de gespecificeerde drempel bevat. Bevat het product ftalaten, latex, biologische stoffen, CMR of hormoonverstorende stoffen, dan moet dat worden verantwoord. De lijst met mogelijke stoffen is lang. Het is niet meer dan logisch dat één persoon ze niet allemaal kent. Toch moet de fabrikant alle vragen hierover kunnen beantwoorden, omdat ze tijdens de conformiteitsbeoordeling door de aangemelde instanties worden gesteld. En dat zal zeker gebeuren met alle aandacht die er momenteel is voor deze stoffen.

De goedkeuring van een medisch hulpmiddel vereist absolute transparantie over de verdraagzaamheid van deze stoffen, met name als zij zich bevinden in bijvoorbeeld invasieve delen, delen die met beschadigde huid in contact komen of delen die betrokken zijn bij de toediening van substanties aan het menselijk lichaam. Ook van belang is hoe langdurig deze stoffen dan in contact komen met het lichaam.

In deze blogserie een overzicht van de verschillende stoffen die in medische hulpmiddelen beperkt mogen worden gebruikt. Sommige van de hierin genoemde termen worden al jaren in regelgeving gebruikt, andere zijn nieuw geïntroduceerd door de MDR. In dit deel gaan we in op het gebruik van Zeer Zorgwekkende Stoffen vastgesteld binnen de REACH verordening. In volgende blogs worden biologische stoffen, latex en siliconen (deel 2) en nanomaterialen (deel 3) behandeld.

ZZS/SVHC

De term Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS; Substances of Very High Concern (SVHC)) is vastgesteld in Verordening registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen ((EU) 1907/2006, beter bekend als de REACH-verordening). Deze stoffen zijn chemische verbindingen met bijzonder gevaarlijke eigenschappen. Volgens artikel 57 zijn dit:

  • CMR-stoffen: carcinogeen (kankerverwekkend), mutageen (genotype-veranderend) en reprotoxisch (van invloed op normale voortplanting – ook bekend als teratogene) stoffen
  • PBT-stoffen: persistente, bio-accumulatieve en toxische stoffen
  • zPzB-stoffen: zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen
  • hormoonontregelende stoffen
  • stoffen waarvan wordt vermoed dat er op grond van wetenschappelijk bewijs ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn en die even verontrustend zijn als de bovengenoemde stoffen

Het Europees Agentschap voor chemische stoffen publiceert een lijst met stoffen die door de verordening worden gereguleerd. Deze lijst wordt twee keer per jaar bijgewerkt. De kandidaten op deze lijst zullen verder worden beoordeeld en kunnen uiteindelijk terechtkomen in REACH bijlage XIV “Lijst van stoffen waarvoor autorisatie is vereist”. Dit maakt dat de stoffen dan worden onderworpen aan autorisatie, met de volgende verplichtingen voor hun leveranciers:

  • het verstrekken van een veiligheidsinformatieblad
  • informatie over veilig gebruik van het product
  • reactie op vragen van consumenten binnen 45 dagen, en
  • de European Chemical Agency (ECHA) op de hoogte brengen als het artikel dat zij produceren een zeer zorgwekkende stof bevat in hoeveelheden van meer dan 1 ton per producent / importeur per jaar en als de stof in de betreffende artikelen aanwezig is in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent (gew./gew.)

Het laatste element is de zogenaamde “REACH-verklaring” of “SVHC-verklaring” waarnaar klanten kunnen vragen. Zij willen graag een bevestiging ontvangen of het product stoffen bevat die zijn onderworpen aan autorisatie. Ook fabrikanten van medische hulpmiddelen kunnen toeleveranciers van materialen die in het hulpmiddel worden verwerkt, of bij de vervaardiging ervan worden gebruikt, om een dergelijke verklaring vragen. Ook de ECHA verstrekt hier informatie over.

De concentratie van 0.1 gewichtsprocent zien we terug in Bijlage I van de MDR Algemene Veiligheids- en Prestatie-eisen, artikel 10.4.1

De hulpmiddelen moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat de risico’s die gevormd worden door stoffen of deeltjes, waaronder slijtagemateriaal, afbraakproducten en procesresiduen die uit het hulpmiddel kunnen vrijkomen, zo veel mogelijk worden beperkt. Hulpmiddelen, of die delen daarvan of die daarin gebruikte materialen die: — invasief zijn en direct met het menselijk lichaam in aanraking komen, — bestemd zijn om geneesmiddelen, lichaamsvloeistoffen of andere stoffen, met inbegrip van gassen, (opnieuw) aan het lichaam toe te dienen of te onttrekken, of — bestemd zijn om dergelijke geneesmiddelen, lichaamsvloeistoffen of stoffen, met inbegrip van gassen, die (opnieuw) aan het lichaam moeten worden toegediend, te vervoeren of op te slaan, mogen de volgende stoffen in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent (g/g) enkel bevatten wanneer zulks gerechtvaardigd is overeenkomstig punt 10.4.2:

Deze rechtvaardiging moet in overeenstemming met bijlage II 6.2d worden opgenomen in de technische documentatie behorende bij het medisch hulpmiddel. Ook de gebruiksaanwijzing moet in overeenstemming met bijlage I 23.4s de volgende informatie bevatten:

voorzorgsmaatregelen met betrekking tot in het hulpmiddel opgenomen materialen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit CMR- of hormoonontregelende stoffen die bij de patiënt of de gebruiker tot overgevoeligheid of een allergische reactie zouden kunnen leiden;

CMR-stoffen

De afkorting CMR staat voor:

  • Carcinogeen: kankerverwekkend.
  • Mutageen: schadelijk voor het erfelijk materiaal in uw cellen. Dit kan leiden tot erfelijke afwijkingen bij (ongeboren) kinderen en in veel gevallen zijn deze stoffen ook kankerverwekkend.
  • Reprotoxisch: schadelijk effect op de vruchtbaarheid, namelijk verminderde vruchtbaarheid en/of effect op het ongeboren kind

De indeling van stoffen als CMR is wettelijk bepaald of wordt gedaan door de producent of importeur van een stof, of door wetenschappelijke comités. Er zijn lijsten met CMR stoffen vanuit verschillende bronnen en deze hebben een verschillende status. Sommige lijsten zijn wettelijk bindend binnen hun kader. Andere lijsten zoals de IARC International Agency for Research on Cancer van de World Health Organization lijst met carcinogene stoffen van de WHO World Health Organization   zijn niet wettelijk bindend. Deze lijsten zijn van belang voor de indeling van stoffen die nog geen wettelijke status hebben. Al deze lijsten zijn niet compleet en worden regelmatig aangepast. Er is dus niet één complete lijst van alle CMR stoffen.

CMR stoffen staan vermeld in Annex VI van de Classification, Labelling and Packaging (CLP) Verordening (EG) 1272/2008. Deze verordening is op 4 oktober 2018 gewijzigd bij Verordening (EU) 2018/1480. De indeling in Annex VI is wettelijk bindend. De indeling van de industrie, inclusief de CMR classificaties en de wettelijk bindende indeling zijn te vinden via de ECHA European Chemicals Agency inventaris van ingedeelde stoffen.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) publiceert ieder halfjaar een lijst met CMR stoffen. Deze lijst bevat de CMR stoffen van Annex VI van de CLP Verordening en aanvullende relevante stoffen, gebaseerd op een beoordeling door de Gezondheidsraad.

Hormoonontregelende stoffen

Hormoonontregelende stoffen zijn chemische stoffen die de werking van het endocriene systeem wijzigen en de gezondheid van mensen en dieren negatief beïnvloeden. Zij kunnen van synthetische of natuurlijke oorsprong zijn. Een richtlijn voor het identificeren van hormoonontregelende stoffen is door European Chemical Agency (ECHA) en European Food Safety Authority (EFSA) opgesteld.

Ftalaten

Ftalaten zijn een subgroep van weekmakers die met name worden gebruikt bij de vervaardiging van producten van kunststof. Ze behoren tot de meest gebruikte groep weekmakers, maar voor sommige ftalaten wordt gevreesd en zelfs bewezen dat ze eigenschappen hebben die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu. De volgende ftalaten worden ingedeeld bij carcinogene, mutagene en reprotoxische eigenschappen zoals beschreven in de REACH-verordening en zijn daarom ook opgenomen in deze verordening:

  • di (2-ethylhexyl) ftalaat (DEHP)
  • dibutylftalaat (DBP)
  • diisobutylftalaat (DiBP)
  • benzylbutylftalaat (BBP)

Andere ftalaten hebben hormoononteregelende eigenschappen:

  • dicyclohexylphthalate (DCHP)

De aanwezigheid van carcinogene, mutagene of reprotoxische ftalaten of ftalaten met hormoonontregelende eigenschappen is een etiketteringsverplichting krachtens de laatste herziening van de Medische Hulpmiddelen Richtlijn 93/42/EEG die in 2007 is ingevoerd middels Verordening 2007/47/EG.

Wanneer onderdelen van een hulpmiddel (of het hulpmiddel zelf), bestemd voor toediening of verwijdering van medicijnen, lichaamsvloeistoffen of andere stoffen aan of uit het lichaam, of hulpmiddelen bestemd voor vervoer en opslag van dergelijke vloeistoffen of stoffen, ftalaten bevatten die zijn ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting, van categorie 1 of 2 als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG, moeten deze hulpmiddelen worden voorzien van de vermelding, op het voorwerp zelf of op de verpakking van elk afzonderlijk voorwerp of op de handelsverpakking, als een hulpmiddel dat ftalaten bevat

In aanvulling op ISO 15223-1 moet EN 15986 “Symbool voor gebruik in het etiketteren van medische hulpmiddelen – Eisen voor het etiketteren van medische hulpmiddelen die ftalaten bevatten” worden toegepast voor productetikettering.

De MDR bijlage I artikel 10.4.3 stelt expliciet dat een “relevant wetenschappelijk comité” moet worden gedelegeerd door de Europese Commissie die voor 26 mei 2020 een richtsnoer over ftalaten moet opstellen. Een concept richtlijn is op 15 maart 2019 door de Scientific Committee on Health, Environmental and  Emerging Risks (SCHEER) gepubliceerd. Op 4 april is hier een hoorzitting over gehouden. De richtlijn beschrijft een stappenplan voor de beoordeling van het gebruik van ftalaten.

  • Stap 1 is het besluiten of ftalaten onderdeel worden van het medisch hulpmiddel en in welke concentratie.
  • Als ftalaten worden toegepast moet de functie, het klinisch voordeel (stap 2) en het risico (stap 3) van de toepassing worden beoordeeld
  • Als ftalaten niet worden toegepast moeten potentiele alternatieven worden geïnventariseerd (stap 4), waaruit een selectie wordt gemaakt (stap 5). Van het alternatief moeten eveneens de baten (stap 6) en het risico (stap 7) worden vastgesteld.
  • Tenslotte wordt het gebruik van ftalaten vergeleken met het alternatief, door hun baten (stap 8) en hun risico’s (stap 9) te vergelijken. In de laatste stap, stap 10 wordt de risico-baten balans van de ftalaten en alle mogelijke alternatieven tegen elkaar afgezet.

De conceptrichtlijn wordt momenteel publiekelijk beoordeeld. Hoe de Europese Commissie werkelijk gaat verwachten hoe fabrikanten het gebruik van Zeer Zorgwekkende Stoffen en ftalaten in het bijzonder gaan beheersen is dus nog even afwachten.

Uitnodiging Spingboard Netwerkbijeenkomst 14 juni: Start-up MedHemScience – Oud bloed in nieuwe zakken

11 mei 2019

Springboard-logo

Op vrijdag 14 juni van 15:00 tot 17:00 wil Springboard u kennis laten maken met startup MedHemScience uit Emmen

In 2015 verplaatste Fresenius Kabi de productie van bloedzakken van Emmer-Compascuum naar Oostenrijk. Daarna volgde een besluit om het verliesgevend product af te stoten. De initiatiefnemers van MedHemScience vonden het zonde dat daarmee kostbare kennis verloren zou gaan. De productie van Hemofreeze werd teruggehaald naar Emmen. Hun business model: opgebouwde kennis gebruiken als vliegwiel voor ontwikkeling van nieuwe business.

Tijdens deze Springboard bijeenkomst komen twee initiatiefnemers van MedHemScience aan het woord. Hendrik van Gent, redevelopment manager bij Business Creation en algemeen Directeur van MedHemScience vertelt over de kansen die hij zag om met de beschikbare mensen met verstand van zaken Hemofreeze te ontdooien en tot een succes om te bouwen. Hij is overtuigd van het belang van een fysieke infrastructuur voor startende medische mkb-bedrijven in het Noorden en heeft hiervoor concrete plannen. Frits Vogt, consultant bij Valserv, Validation Services vertelt over praktische obstakels in de moeilijke tijden van veranderende regelgeving: de validatie van de technologische transfer en het ingewikkelde certificeringsproces.

  • Locatie: IMDS, Ceintuurbaan Noord 150 Roden (GPS: Oosteinde 8 Roden)
  • Inloop is vanaf 14.45 uur
  • Start presentatie om 15.00 uur
  • Eind presentatie om 17.00 uur, waarna er gelegenheid is om na te borrelen

Over de sprekers:

  • Hendrik van Gent was recruitment manager bij Randstad, Lucent Technologies en Shell, directeur bij War Child en directeur van  ontwikkelingsinvesteerder Bid Network. Een bezige bij, met een gedegen kennis van sociaal zakendoen. Hendrik ziet altijd een uitweg, en is niet bang zijn nek uit te steken.
  • Frits Vogt heeft ruim 30 jaar ervaring bij zowel Nederlandse farmaceutische en medische hulpmiddelenbedrijven als bij corporate organisaties over de hele wereld, waarbij hij als verantwoordelijke voor Validatie veel ervaring heeft opgedaan met Aangemelde Instanties en inspectoraten in binnen- (IGJ) en buitenland (o.a. FDA). Frits deelt zijn kennis en ervaring graag met zowel management en directie als met de mensen op de werkvloer en is daarom een echte teambuilder.

Aanmelding