Spring naar inhoud

Strategie voor naleving van de wet- en regelgeving volgens MDR en IVDR

22 augustus 2021
tags: ,

normen

Het hebben van een strategie voor naleving van de wet- en regelgeving is een nieuwe vereiste die wordt vermeld in de Europese verordening voor medische hulpmiddelen (MDR; (EU) 2017/745 ) en de Europese verordening voor in-vitrodiagnostiek (IVDR ; (EU) 2017/746). In artikel 10  lid 9 wordt de specifieke kwaliteitsmanagementsysteem vereisten gespecificeerd die nodig zijn voor fabrikanten. Onder deze vereisten is inbegrepen:

“een strategie voor de naleving van de wet- en regelgeving, inclusief de naleving van de conformiteitsbeoordelingsprocedures en de procedures voor het beheer van de wijzigingen van de hulpmiddelen die onder het systeem vallen;”

Artikel 10 geeft geen nadere details over de inhoud van deze strategie. In bijlage IX genaamd “Conformiteitsbeoordeling op basis van een kwaliteitsmanagementsysteem en van een beoordeling van technische documentatie” worden wel elementen genoemd die in de strategie voor naleving van de regelgeving kunnen worden opgenomen. Onder hoofdstuk 1 sectie 2.2.c “de procedures en technieken voor de monitoring, controle, validering en beheersing van het ontwerp van de hulpmiddelen, alsmede de desbetreffende documentatie met inbegrip van de gegevens en dossiers die uit deze procedures en technieken voortkomen.” staat als eerste vereiste de strategie voor naleving van wet- en  regelgeving. Hierbij wordt gespecificeerd dat de volgende processen zijn inbegrepen in deze strategie:

  • identificatie van de desbetreffende wettelijke vereisten,
  • kwalificatie,
  • classificatie,
  • behandeling van gelijkwaardigheid, en
  • keuze en naleving van de conformiteitsbeoordelingsprocedures,.

Het is als eerste dus noodzakelijk om een duidelijk proces te hebben voor de identificatie van alle van toepassing zijnde wettelijke of regelgevende vereisten, inclusief het beheer van updates met betrekking tot deze vereisten. Doorgaans kan het bijwerken van wettelijke vereisten worden afgehandeld via een proces voor wijzigingscontrole, waarbij de evaluatie van de impact van de bijgewerkte regelgeving wordt geëvalueerd. Houd er rekening mee dat wettelijke vereisten onderwerpen omvatten die niet direct verband houden met medische hulpmiddelen, bijvoorbeeld AVG-vereisten, REACH- en ROHS-regelgeving, enz.

Voor alle toepasselijke regelgevende of wettelijke vereisten die zijn geïdentificeerd op basis van de vorige sectie, is het noodzakelijk om een duidelijk proces te hebben waarmee deze vereisten worden gedekt, hetzij via een specifieke procedure als onderdeel van het kwaliteitssysteem, hetzij via specifieke verificatie- en validatieactiviteiten voor het product of de vervaardiging ervan. De koppeling tussen de MDR/IVDR en de eigenschappen van het medisch hulpmiddel wordt over het algemeen vastgesteld in de checklijst voor de algemene veiligheids- en prestatie-eisen. Hierin worden ook de toegepaste normen, richtlijnen en gemeenschappelijk specificaties geïdentificeerd. De strategie moet dus ook beschrijven hoe deze externe documenten worden geïdentificeerd en hoe met wijzigingen in deze documenten wordt omgegaan.

De MDR/IVDR biedt een fabrikant de mogelijkheid om de technische documentatie, in het bijzonder het klinisch bewijs, gerelateerd aan een reeds op de markt gebracht gelijkwaardig hulpmiddel te gebruiken om de veiligheid en prestatie van een medisch hulpmiddel dat nog geen CE-markering heeft aan te tonen. In de strategie moet dus worden vastgelegd hoe gelijkwaardigheid wordt vastgesteld en toegepast. Het begrip gelijkwaardigheid is zeer goed beschreven in een richtlijn van de Medical Device Coordination Group: MDCG 20202-05.

Ten slotte zal de strategie voor naleving van wet- en regelgeving een proces voor de selectie van de te volgen conformiteitsbeoordelingsprocedure moeten omvatten. Deze keuze wordt in hoge mate bepaald door de risicoklasse van het hulpmiddel, vandaar dat classificatie ook als onderdeel van de strategie in de MDR wordt benoemd.

De strategie voor naleving van de regelgeving wordt vervolgens gekoppeld aan enkele andere belangrijke documentatie van het kwaliteitssysteem, zoals klinische evaluatie, post-market surveillance, ontwerp en ontwikkeling, en de procedures voor het samenstellen van de technische dossier ten behoeve van de conformiteitsbeoordeling om de CE-markering te verkrijgen.

Naast de in de MDR benoemde elementen zal de strategie voor naleving van de wet- en regelgeving ook de verantwoordelijkheden moeten benoemen, waaronder:

  • de uitvoeringsvereisten voor de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de regelgeving;
  • de relaties met andere marktdeelnemers in de toeleveringsketen, de leveranciers, de distributeur, en voor buiten de EU gevestigde fabrikanten: de gemachtigde vertegenwoordiger, en de importeur;
  • de communiceren met uw bevoegde autoriteit en aangemelde instantie.

In de MDR/IVDR wordt niet specifiek vereist dat deze strategie schriftelijk moet worden vastgelegd, maar aangemelde instanties kennende, zal hier zeker om worden gevraagd. In plaats van een afzonderlijk op te stellen document kun je verwijzen naar verschillende documenten, die samen de strategie beschrijven. Zorg er dan wel voor dat je deze document kunt benoemen als om de strategie wordt gevraagd. Een andere optie is om de strategie op te nemen in het kwaliteitshandboek.

Het resultaat van de strategie leidt tot een regelgevingsplan per product of productgroep vast te stellen. Dit tactisch plan kan worden beschreven als onderdeel van het projectplan voor ontwerp en ontwikkeling.

Overzicht verplichte MDR documenten

18 augustus 2021
normen

De Europese Medische Hulpmiddelen Verordening (2017/745 (EU)) vereist enige documentatie heeft om medische hulpmiddelen in de Europese Unie te kunnen distribueren. Dus het is handig om precies te weten wat de verordening vereist. Hieronder vindt u een lijst van deze verplichte informatie, en waar deze wordt vermeld in de EU MDR.

Let wel op dat verschillende verplichte documenten en registraties uit meerdere elementen kunnen bestaan, bijvoorbeeld de aangegeven elementen van de technische documentatie. Lees de gerefereerde delen van de MDR dus goed door om de verplichte inhoud te achterhalen. Aan de andere kant kunnen documenten soms worden samengevoegd, zoals het Plan voor Post-Market Surveillance en het Post-Market Clinical Follow-up Plan.

CategorieVerplichte documenten en registratiesReferentie
Technische documentatie• Beschrijving en specificatie van het hulpmiddel, met inbegrip van varianten en toebehoren
• Door de fabrikant te verstrekken informatie
• Gegevens over ontwerp en vervaardiging
• Algemene veiligheids- en prestatie-eisen
• Baten-risicoanalyse en risicomanagement
• Productverificatie en productvalidering
Bijlage II
• Specifieke informatie voor implanteerbare hulpmiddelen van klasse III en actieve hulpmiddelen van klasse IIb bedoeld voor het toedienen of verwijderen van medicinale stoffen volgens regel 12 om de noodzaak van een CECP-proces te bepalenMDCG 2019-3
• Technische documentatie betreffende de post-market surveillanceBijlage III
Systeem voor unieke hulpmiddelidentificatie• Lijst bij van alle UDI’sArtikel 27, lid 7
Post-Market Surveillance• Plan voor Post-Market SurveillanceArtikel 84
• Verslag over Post-Market Surveillance of Periodiek veiligheidsverslagArtikel 85;
Artikel 86
• Post-Market Clinical Follow-up planBijlage XIV, deel B, lid 6;
MDCG 2020-7
• Post-Market Clinical Follow-up evaluatieverslagArtikel 61, lid 11;
Bijlage XIV, deel B;
MDCG 2020-8
• Samenvatting van de veiligheids- en klinische prestatiesArtikel 32;
MDCG 2019-9
Vigilantie• Rapportage over ernstige incidenten en field safety corrective actions
• Periodieke samenvattende verslagen
Artikel 87;
Artikel 89
• Rapporten van trendsArtikel 88
Klinische evaluatie• Klinische evaluatieplan
• Klinisch ontwikkelplan
Bijlage XIV, Deel A, Lid 1
Klinische gegevens
• Klinische onderzoeksgegevens
• Wetenschappelijke literatuur
• Andere klinische ervaringen
• PMS informatie
Artikel 1, lid 48
• Verslag van de klinische evaluatieArtikel 61, lid 12;
Bijlage XIV, deel A, lid 4
Klinische onderzoeken• Geïnformeerde toestemmingArtikel 63
Documentatie betreffende de aanvraag voor klinisch onderzoek
• Aanvraagformulier
• Onderzoekersdossier
• Plan voor klinisch onderzoek
• Andere informatie
• Verklaring dat alle voorzorgsmaatregelen zijn genomen om de gezondheid en de veiligheid van de proefpersoon te beschermen
• Kopie van het advies van de betrokken ethische commissie(s)
• Verzekeringspolis
• Patiëntinformatieblad
• Regels voor de bescherming en geheimhouding van persoonsgegevens
Bijlage XV, hoofdstuk II;
Artikel 72;
MDCG 2021-8
• Verslaglegging over ongewenste voorvallen Artikel 80;
MDCG 2020-10/2
• Overeenkomst dat ernstige ongewenste voorvallen of enig ander in artikel 80, lid 2, bedoeld voorval tijdig door de onderzoekers aan opdrachtgever worden gemeldBijlage XV, hoofdstuk III, lid 2
• Bewijsmateriaal dat het onderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met goede klinische praktijken, bijvoorbeeld door interne of externe inspectieBijlage XV, hoofdstuk III, lid 6
• Verslag over het klinische onderzoek
• Samenvatting van het klinisch onderzoek in bewoordingen die voor de beoogde gebruiker gemakkelijk te begrijpen zijn
Artikel 77, lid 5;
Bijlage XV, hoofdstuk I, lid 2.8;
Bijlage XV, hoofdstuk III, lid 7
Risicomanagement• Risicomanagementplan
• Risicomanagement documentatie
Bijlage I, hoofdstuk I
Conformiteitsbeoordeling op basis van een kwaliteitsmanagementsysteem en van een beoordeling van technische documentatie• Aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitsmanagementsysteem
• Kwaliteitshandboek, schriftelijke beleidslijnen en procedures, zoals kwaliteitsprogramma’s, -plannen, en -registraties
Bijlage IX
• EU-conformiteitsverklaringArtikel 19
Bijlage IV
Procedures en technieken bestrijken specifiek
• Strategie voor naleving van de regelgeving
• Checklist algemene eisen voor veiligheid en prestatie
• Systeem voor Post-Market surveillance
• Systeem voor klinische evaluatie
• Systeem voor ontwerp en ontwikkeling
• Procedure voor beheer van in EUDAMED beheerde gegevens
• Systeem voor productrealisatie, met inbegrip van planning, ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging (in serieproductie) en dienstverlening (installatie en onderhoud)
• Procedure voor het beheer van de middelen, waaronder selectie en controle van leveranciers en subcontractanten
• Oplossingen voor het naleven van de toepasselijke specifieke vereisten inzake de informatie die samen met het hulpmiddel moet worden verstrekt, in het bijzonder de eisen van hoofdstuk III van bijlage I,
• Procedures voor identificatie van het hulpmiddel die met betrekking tot elk fabricagestadium
• Systeem voor het beheer van wijzigingen in het ontwerp of in het kwaliteitsmanagementsysteem,
• technieken voor verificatie en kwaliteitsborging in het fabricagestadium, en met name de toe te passen processen en procedures, in het bijzonder voor sterilisatie
• passende tests en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage dienen te worden uitgevoerd
Bijlage IX
Artikel 10
De besluiten en (beoordelings-) verslagen van de in deze bijlage bedoelde aangemelde instantie.Bijlage IX, hoofdstuk III, lid 7

Hoewel dit de documenten en registraties zijn die de EU MDR als verplicht heeft aangemerkt, is het belangrijk op te merken dat dit geen gedocumenteerde informatie bevat die nodig is voor de goede werking van uw kwaliteitsmanagementsysteem. Voor de lijst met informatie die vereist is voor een kwaliteitsmanagementsysteem  overeenkomstig ISO 13485:2016, zie deze Checklist van verplichte documentatie vereist door ISO 13485:2016.

Voor en nadelen van de risicomatrix

8 augustus 2021

risicomanagement

In de afgelopen jaren zijn risicomatrices, ofwel heatmaps, een zeer populair hulpmiddel voor het beheersen van risico’s geworden. Door meerdere opinieleiders op het gebied van risicomanagement worden ze bekritiseerd. Zij vinden de matrices op zijn best ‘misleidend’ en, in het ergste geval, ‘nutteloos’. Wat is er aan de hand met risicomatrices.

Zoals we allemaal weten, is een risico een gebeurtenis die al dan niet kan plaatsvinden en, als het toch gebeurt, een effect zal hebben op de doelstellingen. Het heeft daarom twee elementen:

  • De kans dat het gebeurt
  • De grootte van de impact als het gebeurt, ook wel ernst genoemd

Heatmaps plotten de kans dat er iets gebeurt tegen de grootte van de impact in een matrix. Elke as is opgesplitst in een aantal secties. Elke sectie krijgt een term. Onderzoek heeft uitgewezen dat alle senior managers de termen: laag , gemiddeld , hoog begrijpen en in oplopende volgorde kunnen plaatsen. Dit levert het raster op van 3×3. Maar een matrix van 3×3 is erg grof voor een goede besluitvorming. De 9 risicocategorieën passen gevoelsmatig niet bij wat nog wel en wat niet meer acceptabel is. Dat is dan weer een probleem voor de managers. Dus worden de assen opgedeeld in meer dan 3 termen. Bijvoorbeeld voor kans: nooit, zelden, onwaarschijnlijk, mogelijk, waarschijnlijk, vaak, zeker. Of wat dacht je van de volgende termen voor ernst: verwaarloosbaar, onbeduidend, matig, serieus, catastrofaal. Hoe meer secties, hoe onwaarschijnlijker het is dat iemand de termen voldoende begrijpt om het verschil tussen 2 secties te kunnen uitleggen. Sommige mensen beschouwen mogelijk als minder waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk , maar de kans dat dit van invloed is op beslissingen over risicobeheer is zeldzaam. Dat is serieus ernstig. Ik hoop dat u het nog begrijpt.

risicomatrix2

Aan elke categorie wordt vaak een numerieke score toegekend. Er worden hele getallen gebruikt, beginnend bij 1 en oplopend voor elke categorie zoals bijvoorbeeld: Laag = 1, Gemiddeld = 2, Hoog = 3. De scores voor de kans en gevolg worden vervolgens gecombineerd om een risicoscore te krijgen voor elk vierkant in het raster. De twee opties zijn optellen en vermenigvuldigen. Beide worden gebruikt. Omdat het voor de risico gebaseerde besluitvorming niet uitmaakt welk systeem wordt gebruikt, wordt vermenigvuldiging aanbevolen. Het is iets ingewikkelder dan optellen, maar het is consistent met de algemene risicobeoordeling als: Risico = Kans x Gevolg. Maar het levert wel de suggestie op dat een risico met een lage kans (1) op ernstige gevolgen (3) hetzelfde risico (3) oplevert als een hoge kans (3) op geringe gevolgen (1). En ook dat dit risico geringer is dan een risico (4) met een gemiddelde kans (2) op een gemiddelde ernst (2). Met andere woorden de indeling van de as is een attributieve indeling en niet een variabele indeling langs een kwantitatieve as. Je kunt er niet mee rekenen. Sommige bedrijven lossen dit op door elke sectie een gewogen waarde mee te geven, bijvoorbeeld 1,2, 4, 7 en 10 bij een as verdeeld in 5 sectoren. Maar dat lost het probleem maar gedeeltelijk op.

En waarom is er geen ernst van -1 of zelfs -5. Waarom moet het gevolg altijd negatief zijn. Volgens ISO 31000 gaat het om de onwaarschijnlijkheid van de gevolgen, maar kunnen onverwachte situaties ook nieuwe mogelijkheden, kansen, bieden. Als je die laat liggen heb je in ieder geval weer een gemiste kans, die je weer op een schaal van toenemende negativiteit kunt scoren.

De keuze voor de sectie is vaak een inschatting en niet een keuze die wordt gemaakt op basis van meetbare feiten. Voor kans zou men de frequentie van voorkomen nog kunnen uitdrukken in het aantal keer per tijdseenheid of het aantal keer per aantal gefabriceerde producten, maar ook dat blijkt lastig. Als een tekortkoming voorkomt, dan komt het vaak voor bij alle producten in de aangedane productiepartij, dus partijgrootte speelt een rol. En als je niet oplet, dan ben je 3 partijen verder voordat je de fout ontdekt. Toch heb je maar met 1 oorzaak te maken, die maar 1 keer is voorgekomen. Per tijdseenheid is ook weer lastig, want als je een bepaald product een tijd niet maakt, dan is de daadwerkelijk kans op een fout in die periode nul (0). En als de verkoop plots enorm toeneemt, bijvoorbeeld omdat je mondmaskers fabriceert, dan wordt de kans op een fout per tijdseenheid groter, terwijl je niet meer beheersmaatregelen neemt. En dan nog. Als je inschat dat een fout maar 1 keer in de 2 jaar voor komt, hoe lang heb je dan nodig om je keuze te baseren op feiten. Daarnaast weten we dat beginnersfouten vooral, de term suggereert het al, in het begin voorkomen. Maar ook wordt men lakser in beheersmaatregelen die om discipline vragen, wat tot een toename in fouten leidt. De indeling zul je dus wel moeten maken op de bodem van de badkuip.

Een meetkundige indeling in ernst is zelden mogelijk. Bedrijfsrisico’s wil men nog wel eens indelen in faalkosten, maar wie kent de daadwerkelijke faalkosten van een fout. Heldere definities formuleren voor de secties langs de ernst as is vaak een enorme uitdaging.

Ten slotte, om in de matrix duidelijk te maken welke risico’s groter en welke kleiner zijn, wordt een kleurenschema toegepast. Het meest voorkomende kleurenschema is het rood, geel, groen systeem, bekend als de kleuren die worden gebruikt bij verkeerslichten. In tests begreep 93% van de managers rood = stoppen en 100% begreep groen = gaan . Dit lijkt goed nieuws. Het oranje gebied is iets problematischer. 23% van de ondervraagde managers was van mening dat oranje stoppen betekende, 47% van de managers geloofde dat het ging als je er niet op gepakt kunt worden , en 2% van de managers geloofde dat het, net als in het verkeer, gewoon gaan betekende, al dan niet met een extra dot gas. Dit wordt risicobereidheid (of omgekeerd, risicoaversie) genoemd en is een fundamenteel onderdeel van het gebruik van risico-informatie voor besluitvorming.

Maar is groen wel gaan. Binnen de groene categorie liggen zowel risico’s die met de laagste frequentie voorkomen, als risico’s die met een hogere (of zelfs de hoogste frequentie) voorkomen. Voor de laatste groep is misschien nog wel risicoreductie mogelijk, maar groen werkt als een rood stoplicht voor het nemen of zelfs overwegen van beheersmaatregelen. Zelfs voor het risico in de laagste kans sectie, zijn soms nog beheersmaatregelen mogelijk. De Europese medische hulpmiddelen verordening vereist dat wanneer er risico beperkende maatregelen mogelijk zijn, dat je deze ook moet nemen (ongeacht de kosten). Dus feitelijk bestaat groen helemaal niet, alleen maar geel: beoordelen of het risico zo laag als mogelijk is gereduceerd. Je moet daarbij wel de restrisico’s beoordelen, dus de risico’s nadat beheersmaatregelen getroffen zijn.

Ook de indeling van de matrix in rode, gele en groene vlakken is niet willekeurig, of zou dit niet moeten zijn. Weer even terug naar medische hulpmiddelen. Voor een medisch hulpmiddel als een pleister accepteer je niet dat er een levensbedreigende situatie ontstaat. Maar voor een medisch hulpmiddel dat wordt toegepast voor levensreddende behandeling (bijvoorbeeld een dotter canule) kan een levensbedreigende situatie waarvan de kans op voorkomen onwaarschijnlijk is toch worden geaccepteerd. Met andere woorden, risicoacceptatie hangt af van de baten van het product. Een fenomeen dat door sommigen moeilijk te bevatten is. Kijk maar hoe politici, en voor- en tegenstanders van vaccinatie met de risico’s van het vaccin of het Coronavirus omgaan.

Hetzelfde voorbeeld geeft ook aan dat besluitvorming op basis van feiten bij risicomanagement nagenoeg onmogelijk is. Is er voldoende onweerlegbaar bewijs om van een mening een feit te maken? Bronnen die elkaar tegenspreken. Hoe moet je een keuze maken tussen de kans onwaarschijnlijk of mogelijk als het waarschijnlijk is dat de gegevens onvolledig of onjuist zijn. Binnen bedrijven zorgt men er daarom voor dat het team dat de risicoanalyse uitvoert multidisciplinair is. De politiek heeft gekozen voor het OMT.

Veel risicoregisters worden uitgevoerd in Excel en opgeslagen op de pc van de risicomanager. Ze worden nog wel goedgekeurd door het management die al lang blij is met het eindoordeel dat geen verdere beheersmaatregelen nodig zijn. Hoe dan ook, de risicomanager is beter dan wie dan ook op de hoogte van de risico’s op elk gebied van het bedrijf. Jammer is alleen dat hij niet de strategische besluiten neemt waarbij de mogelijke risico’s in acht genomen moeten worden of zelfs maar daarbij aanwezig is. Risicomanagement is een verplicht nummertje om het ISO certificaat te behalen, maar heeft verder geen beleidsfunctie. Ook is de risicomanager niet de uitvoerende die dagelijks met de risico’s te maken krijgt. Weet een operator op de productievloer wat voor risico het bedrijf of de gebruiker van het product loopt als hij op een vrijdagmiddag het een keer niet zo nauw neemt met die onmogelijke werkinstructie. Het gaat toch nooit fout. Alleen de risicomanager weet dat dat eens in de 1000 keer wel het geval is. En omgekeerd, heeft hij er bij de risicoanalyse ook rekening mee gehouden hoe vaak het vrijdagmiddag is.

Als laatste dan nog het totaal aantal risico’s, of beter het totaal van de risicoscores, voor een betreffend product of bedrijfsproces. Een risicomatrix zegt hier helemaal niets over. Vergelijk het met het bouwen van een huis. Elke aannemer heeft in principe te maken met dezelfde risico’s. Maar de ene aannemer levert het huis met minder opleverpunten op dan de ander, omdat hij meer aan risicobeheersing doet dan de ander. Daarom kiezen wij ook altijd voor de goedkoopste aannemer en eist de politiek ook dat risicovolle projecten worden aanbesteed. Sommige bedrijven vermelden daarom in de matrix hoeveel risico’s per veld zijn geïdentificeerd. Maar daar is de heatmap oorspronkelijk niet voor bedoeld.

Je kunt nu eenmaal niet op alle slakken zout leggen. Die hoeveelheid zout is niet te bekostigen. Sommige bedrijven kijken alleen naar de top 10 (of top 5, of top wat dan ook) risico’s met de hoogste risicoscore. Wat maakt het dan nog uit of je 50 of 1000 risico’s hebt geïdentificeerd? Als je de belangrijkste maar te pakken hebt. Alles wat buiten de top 10 valt, is acceptabel toch? Wat zou het als je met het voorkomen van de top 10, 10% of slechts 0.5% van de totale som aan risicoscores hebt gereduceerd? En dan zit er nog een adder onder het gras, of eigenlijk een zwart zwaan. We benoemen alleen de risico’s die we kennen of die we logischerwijs kunnen verwachten. En waar hebben we uiteindelijk het meest last van: de dingen die we niet zagen aankomen. Hoe minder tijd je besteed aan de risicoanalyse en hoe minder disciplines er deelnemen aan de risicoanalyse, hoe waarschijnlijker het is dat je wordt getroffen door risico’s die je niet zag aankomen. De matrix biedt dus alleen maar schijnveiligheid.

Hoe je risicomanagement ook inricht, het blijft een gok of je voldoende aandacht hebt besteed aan alle risico’s. De risicomatrix kan best een handig hulpmiddel zijn, maar als je de context ervan onvoldoende begrijpt loop je het risico dat je kansen om fouten te voorkomen misloopt.

Het beoogde doel en de indicatie voor gebruik van medische hulpmiddelen

3 augustus 2021

medischehulpmiddelen

De formulering van het beoogde doel als onderdeel van de algemene beschrijving van het hulpmiddel is een kritisch aspect bij het opstellen van de technische documentatie.

De MDR definieert het beoogde doel in artikel 2, lid 12 als volgt:

“beoogd doeleinde”: het gebruik waarvoor een hulpmiddel is bestemd volgens de gegevens die door de fabrikant zijn verstrekt op het etiket, in de gebruiksaanwijzing, in reclame- of verkoopmateriaal of verklaringen en zoals dat door de fabrikant in de klinische evaluatie is gespecificeerd;

Het beoogde doel moet op een duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige manier worden geformuleerd. Fabrikanten moeten niet beschrijven waar het hulpmiddel voor kan worden gebruikt, maar exact beschrijven voor welk gebruik zij het medisch hulpmiddel bedoelt hebben: vandaar dat in de VS wordt gesproken wordt over het beoogde gebruik. Kleine verschillen in de bewoording kunnen een groot verschil maken voor de conformiteitsbeoordeling van het hulpmiddel. Er zijn vaak meerdere formulering nodig voordat de juiste gevonden wordt die geschikt is voor de marketing strategie en de strategie voor de conformiteitsbeoordeling.

De fabrikant van een medisch hulpmiddel is verantwoordelijk voor het definiëren van het beoogde doel van het hulpmiddel. Het is ook belangrijk om te benadrukken dat het beoogde doel consistent moet zijn in de gehele technische documentatie.

Het beoogde doel is allereerst de basis van de beslissing of een product een medisch hulpmiddel is, in overeenstemming met de definitie van medisch hulpmiddel in de verordening. Dat is vooral van belang bij combinatieproducten: medische hulpmiddelen met een geneesmiddel. Als de primaire werking een farmacologische of immunologische werking is, dan wordt het combinatie product als geneesmiddel beoordeeld. Is het geneesmiddel alleen ondersteunend aan de werking van het hulpmiddel, dan wordt het combinatie als medisch hulpmiddel beoordeeld.

De definitie van medisch hulpmiddel in artikel 1 lid 1geeft direct een goede aanwijzing voor het omschrijven van het beoogde doel: gebruik de termen die erin worden:

“medisch hulpmiddel”: een instrument, toestel of apparaat, software, implantaat, reagens, materiaal of ander artikel dat of die door de fabrikant is bestemd om alleen of in combinatie te worden gebruikt bij de mens voor een of meer van de volgende specifieke medische doeleinden:

  • diagnose, preventie, monitoring, voorspelling, prognose, behandeling of verlichting van ziekte,
  • diagnose, monitoring, behandeling, verlichting of compensatie van een letsel of een beperking,
  • onderzoek naar of vervanging of wijziging van de anatomie of van een fysiologisch of pathologisch proces of een fysiologische of pathologische toestand,
  • informatieverstrekking via in vitro-onderzoek van specimens afkomstig van het menselijk lichaam, waaronder orgaan-, bloed- en weefseldonaties,

waarbij de belangrijkste beoogde werking in of op het menselijk lichaam niet met farmacologische of immunologische middelen of door metabolisme wordt bereikt, maar wel door die middelen kan worden ondersteund.

De volgende producten worden eveneens aangemerkt als medische hulpmiddelen:

  • hulpmiddelen voor de beheersing of ondersteuning van de bevruchting;
  • producten die speciaal bestemd zijn voor het reinigen, ontsmetten of steriliseren van hulpmiddelen bedoeld in artikel 1, lid 4, en van die bedoeld in de eerste alinea van dit punt;

Valt het je op hoe vaak ‘bestemd’ en ‘beoogd’ in de definitie voorkomt.

Zelfs met alle mogelijke definities, zijn er enkele gevallen die zich nog steeds in de grijze gebieden van de regelgeving bevinden. De Europese Unie heeft wel een “Manual on Borderline and Classification in the Community – Regulatory Framework for Medical Devices” opgesteld. Dit is een document waarin advies wordt gegeven over sommige producten, zoals de grijze gebieden met geneesmiddelen, cosmetica, biociden, of de randgevallen bij hulpstukken. Deze handleiding regelmatig bijgewerkt, dus als je een product hebt die daarmee verband houden, bekijk dan altijd het laatste exemplaar op de website. Bekijk ook MEDDEV 2 1/1, die aanwijzingen geeft bij de definitie van medische hulpmiddelen. Let hierbij wel op dat dit document gebaseerd is op de oude medische hulpmiddelen richtlijn en hoognodig bijgewerkt moet worden voor de MDR.

Als we het beoogde doel kennen, kunnen we de productcodes bepalen, die op hun beurt de classificatie en het vereiste type conformiteitsbeoordeling dicteren (hetzelfde geldt ook voor de VS , Canada en in veel andere delen van de wereld). Het beoogde doel is de basis voor de toepassing van de MDR bijlage VIII classificatieregels voor het bepalen van de risicoklasse van het hulpmiddel, zoals beschreven in artikel 51. De classificatie bepaalt vervolgens de conformiteitsbeoordelingsroute voor het hulpmiddel, inclusief de hoeveelheid klinische gegevens die nodig is om conformiteit met de relevante veiligheids- en prestatie-eisen aan te tonen. Het beoogde doel moet daarom worden geformuleerd is samenspraak met een regelgeving of kwaliteitsdeskundige.

Maar de beschrijving van het beoogde doel moet vooral geschikt zijn voor de gebruikersgroep (medische beroepsbeoefenaar of patiënten), in de juiste medische taal. Het beoogde doel kan daarom het beste worden geformuleerd door iemand met ervaring met medisch schrijven. Artikel 7 van de MDR verbiedt het misleiden van de gebruiker of patiënt door functies aan het hulpmiddel toe te kennen of een verkeerde indruk te wekken met betrekking tot de behandeling of diagnose die het hulpmiddel niet heeft, of het niet onthullen van waarschijnlijke risico’s, en het suggereren van gebruik voor de andere toepassingen dan het gebruik dat is inbegrepen in het beoogde doel.

Het is belangrijk om te weten dat er onder MDR een duidelijk verband bestaat tussen het beoogde doel en de klinische evaluatie, die niet alleen wordt genoemd in artikel 2, lid 12, maar ook in artikel 61, lid 1:

De fabrikant specificeert en verantwoordt de omvang aan klinisch bewijs die nodig is om de conformiteit aan te tonen met de toepasselijke algemene veiligheids- en prestatie-eisen. Die hoeveelheid klinisch bewijs dient passend te zijn in het licht van de kenmerken van het hulpmiddel en zijn beoogde doeleind.

Het beoogde doel helpt bij het identificeren van de klinische gegevens die relevant zijn voor het hulpmiddel. Met MDR kan men klinische gegevens gebruiken die afkomstig zijn van klinische onderzoeken, andere onderzoeken en rapporten die zijn gepubliceerd in peer-reviewed wetenschappelijke literatuur over een hulpmiddel waarvan de gelijkwaardigheid met het betreffende hulpmiddel kan worden aangetoond. Als een fabrikant gelijkwaardigheid met een bestaand hulpmiddel claimt, is het beoogde doel een van de kenmerken waarmee rekening moet worden gehouden om gelijkwaardigheid aan te tonen.

Het beoogde doel moet worden ontwikkeld samen met twee andere verklaringen die deel uitmaken van de technische documentatie:

  • een verklaring met daarin de informatie over de beoogde patiëntenpopulatie, medische aandoeningen, indicaties en contra-indicaties,
  • en de informatie over de werkingsprincipes van het apparaat en het werkingsmechanisme, indien nodig wetenschappelijk aangetoond.

Volgens de MDCG 2020-6 ‘Regulation (EU) 2017/745: Clinical evidence needed for  medical devices previously CE marked under  Directives 93/42/EEC or 90/385/EEC – A guide for manufacturers and notified bodies verwijst ‘indicatie’, ‘indicatie voor gebruik’ naar de klinische aandoening die moet worden gediagnosticeerd, voorkomen, bewaakt, behandeld, verlicht, gecompenseerd, vervangen, gewijzigd of gecontroleerd door het medische hulpmiddel. Kortom, de redenen waarvoor, of de situaties waarin het specifieke hulpmiddel mag worden gebruikt. Het moet worden onderscheiden van ‘beoogd doel/beoogd gebruik’, dat het effect van een hulpmiddel beschrijft. De indicatie voor gebruik beschrijft wanneer het hulpmiddel mag worden gebruikt, het beoogde doel beschrijft waarvoor het mag worden gebruikt. Alle medische hulpmiddelen hebben een beoogd medisch doel, maar niet alle hulpmiddelen hebben een medische indicatie, bijvoorbeeld medische hulpmiddelen met een beoogd doel voor desinfectie of sterilisatie van hulpmiddelen. Ook zijn er hulpmiddelen die indirect klinische voordelen hebben; hulpmiddelen zoals voerdraden kunnen bijvoorbeeld andere medische hulpmiddelen helpen bij het bereiken van hun beoogde doel, zonder zelf een directe therapeutische of diagnostische functie te hebben. Medische hulpmiddelen zonder medisch doel is een nieuwigheid die door de MDR is geïntroduceerd. Bijlage XVI bevat een lijst van hulpmiddelen zonder medisch doel, die toch onder de verordening vallen. Die hulpmiddelen zijn qua werking en risicoprofiel vergelijkbaar met medische hulpmiddelen, ook al claimen de fabrikanten alleen niet-medische doeleinden (bijvoorbeeld esthetische doeleinden). Dan moet dat wel uit de formulering van het beoogde doel en de indicatie voor gebruik blijken.

De formulering van de indicatie moet zo duidelijk en eenvoudig mogelijk zijn om verschillende interpretaties uit te sluiten. De FDA specificeert in haar Guidance for Industry – General/Specific Intended Use een bruikbare beschrijving van verschillende specificiteitsniveaus voor de indicatie voor gebruik. Aangevuld met wat andere niveaus leidt dat tot het volgende:

Specificiteitsniveaus voor therapeutische (inclusief preventieve) medische hulpmiddelen:

  • Identificatie van functie (bijvoorbeeld knippen)
  • Identificatie van weefseltype (bijvoorbeeld zachte weefsels)
  • Identificatie van een orgaansysteem (bijv. maagdarmkanaal) of
  • Identificatie van een specifiek orgaan (bijv. lever)
  • Identificatie van een bepaalde ziekte-entiteit (bijv. resectie van levermetastasen) of doelpopulatie
  • Indicatie van een bepaalde fase in het verloop van de ziekte (bijv. het stadium van een tumor)
  • Identificatie van een effect op de klinische uitkomst (bijv. het gebruik van een medisch hulpmiddel verbetert de snelheid van duurzame volledige remissies met chemotherapie)

Specificiteitsniveaus voor diagnostische medische hulpmiddelen:

  • Identificatie of meting van een fysieke parameter (bijv. afbeelding, hartslag) of biochemische parameter (bijv. biomarker)
  • Identificatie van een nieuwe of specifieke doelpopulatie (bijv. vrouwen, kinderen van een bepaalde leeftijdsgroep) of anatomische locatie (bijv. MR van de hersenen)
  • Identificatie van het klinische gebruik van de meting (bijv. diagnose, screening)
  • Identificatie van of implicatie van een effect op de klinische uitkomst (bijv. screening mammografie vermindert borstkankersterfte)

Er zijn een aantal redenen waarom fabrikanten een specifieke indicatie voor gebruik geven aan hun product in plaats van een meer algemeen geformuleerde indicatie die bijvoorbeeld wel door reeds op de markt gebrachte voorlopers wordt toegepast. In sommige gevallen kan nieuwe technologie ertoe leiden dat een hulpmiddel meer geschikt is voor één specifieke indicatie dan zijn voorloper, maar gelijkwaardig, of zelfs minder geschikt is voor de algemene indicatie. Het nieuwe hulpmiddel kan met de specifieke claim concurrerend de markt betreden voor de specifieke indicatie. Ook volgt de formulering van de indicatie voor gebruik de ontwikkeling van de medische praktijk. Wanneer de medische gemeenschap een specifieke bepaalde routinepraktijk aanneemt, willen fabrikanten die indicatie toepassen. Ook is een specifieke indicatie van belang voor aansprakelijkheids- en vergoedingsdoeleinden. Maar hierdoor kunnen wel nadelige consequenties zijn voor de risicoclassificatie van het hulpmiddel. Neem dit voorbeeld afkomstig van de FDA. Als we een scalpel op de markt brengen voor een algemene indicatie, het snijden van weefsel, dan is die scalpel klasse I. Als de scalpel wordt bestemd voor oogheelkundige chirurgie, netvlieschirurgie bijvoorbeeld, wordt precies scalpel klasse III ook al blijft het dezelfde scalpel.

De fabrikant moet ook eventuele beperkingen; de contra-indicaties (dwz waarvoor het medische hulpmiddel niet bedoeld is) expliciet vermelden.

Het beoogde doel beschrijft het beoogde medische gebruik – niet de specifieke product kenmerken of specificaties van een verwacht product. Deze worden beschreven in het werkingsmechanisme.

Ik hoop dat ik enige duidelijkheid heb gebracht in deze basale, maar kritische aspecten van de technische documentatie. Ik merk altijd weer dat als het beoogde doel en de indicatie voor gebruik goed zijn omschreven vallen daarna veel puzzelstukjes op hun plaats. Als ik je daarbij kan helpen laat het mij weten.

Waar moet de UDI op het medisch hulpmiddel worden geplaatst

1 augustus 2021

medischehulpmiddelen

Door de invoering van UDI kunnen zorgaanbieders UDI-gegevens gebruiken in hun inkoopsystemen, voorraadbeheersystemen, elektronische patiëntendossiers en implantaatregisters. Veel fabrikanten vragen zich af waar de unieke hulpmiddelen identificatie (UDI drager) op een medisch hulpmiddel moet worden geplaatst. De algemene regel is: op het product (direct marking), de primaire verpakking en elk hoger verpakkingsniveau, waarbij elk niveau zijn eigen UDI Device Indicator (UDI-DI) krijgt. Maar er zijn vele uitzonderingen denkbaar, zodat er altijd door de fabrikant moet worden beoordeeld wat de beste optie is. Hierbij een aantal veelvoorkomende situaties

We kunnen vaak meerdere verpakkingslagen onderscheiden voor een hulpmiddel. De eerste laag is de primaire laag. Daar waar de verpakking de steriele barrière vormt, wordt dit de steriele verpakking genoemd. Daar waar de verpakking zorgt voor de mechanische bescherming van het product, met name tijdens transport, dan wordt dit de beschermende verpakking genoemd. De beschermende verpakking kan zich zowel binnen als buiten de steriele barrière bevinden. Transportdozen (tertiaire verpakkingen) worden niet tot de productverpakking gerekend, en hoeven niet te worden voorzien van een UDI. Voor traceerbaarheid gaat het om de verkoop eenheden. Er is voor medische hulpmiddelen overigens geen eis voor traceerbaarheid van de aggregatie, dat wil zeggen dat van een hogere verpakkingslaag bekend is welke identificeerbare lagere niveaus hierin zijn verpakt. Om logistieke redenen kan het echter wel zinvol zijn, denk bijvoorbeeld maar eens aan een recall.

De reden waarom verschillende verpakkingsniveaus verschillende UDI-DI’s ontvangen is logisch vanuit het perspectief van de logistiek. Stel het medisch hulpmiddel wordt verkocht in verkoopeenheden die 1, 2 of 5 gebruikseenheden bevatten, dan wil het magazijn deze verkoopeenheden aan de hand van de UDI-DI kunnen onderscheiden. De UDI op het laagste niveau wordt de primaire UDI genoemd. Wanneer het hulpmiddel alleen in verpakkingen wordt verkocht waarin 1 product zit, dan kan de primaire UDI op elke laag worden gebruikt. Dit levert immers geen logistieke problemen op. Het product kan volledig worden getraceerd, ook al wordt het van een bepaalde verpakkingslaag ontdaan.

Gouden regel is dat de UDI aanwezig moet zijn op de eenheid van gebruik, en leesbaar moet zijn tijdens het gebruik. Herbruikbare hulpmiddelen kunnen lange tijd meegaan en meerdere malen worden gebruikt. Op herbruikbare hulpmiddelen moet daarom altijd een UDI (label of graveren) worden geplaatst en ook leesbaar blijven gedurende de levensduur van het product. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gebruikscondities en de reinigingsprocedures. Er zijn enkele uitzonderingen voor directe markering van herbruikbare producten die met name worden ingegeven door technische onmogelijkheden zoals kleine producten. Hierbij prevaleert het gebruik van een UDI drager (machinaal leesbare UDI code) boven een uitgeschreven menselijk leesbare UDI. Als het hulpmiddel bedoelt is voor thuisgebruik moet een menselijk leesbare UDI zijn aangebracht op het hulpmiddel. Al hebben de meeste mensen de mogelijkheid om met hun mobiele telefoon de UDI dragers te scannen en te lezen, wordt dit door regelgeving nog niet als zekerheid gezien. Lees voor andere uitzondering de MDR en onderliggende richtlijnen.

Voor klasse I en IIa medische hulpmiddelen voor eenmalig gebruik en IVD medische hulpmiddelen van klasse A en klasse B die afzonderlijk zijn verpakt en geëtiketteerd, hoeft de UDI niet op de primaire verpakking te worden vermeld, maar moet deze op een hoger verpakkingsniveau worden vermeld, bijv. een doos met meerdere (afzonderlijk verpakte) hulpmiddelen. Denk bijvoorbeeld aan een doos met verpakte spuiten of injectienaalden. Als echter van de zorgverlener wordt verwacht dat hij geen toegang heeft tot het hogere niveau van de verpakking van het hulpmiddel, bijvoorbeeld in thuiszorgomgevingen, moet de UDI op de verpakking van het individuele hulpmiddel worden geplaatst.

Als het hulpmiddel bedoeld is voor eenmalig gebruik, en het hulpmiddel blijft tot het gebruik in zijn verpakking, dan hoeft het product zelf niet door middel van direct marking te worden voorzien van een UDI. Bijvoorbeeld, een implantaat in zijn steriele verpakking hoeft niet van een UDI te worden voorzien. Dan is wel zo handig, omdat het aanbrengen van een UDI op een implantaat vaak praktische problemen geeft, ook bij graveren.

Als de UDI op een lager verpakkingsniveau leesbaar is door de transparante verpakking van een hogere laag, dan hoeft de hogere laag geen UDI te hebben. Voorwaarde is dan wel dat er maar 1 product in de verpakking zit, of dat bij meerdere producten de producten allen eenzelfde UDI hebben (dat wil zeggen, ze behorende tot dezelfde partij, dus zowel dezelfde UDI-DI als dezelfde product identificatie (UDI-PI)). De leesbaarheid moet worden gegarandeerd, zowel de uitgeschreven menselijk leesbare deel [human readable interpretation (HRI)], als voor de machinaal leesbare UDI drager [Automated Identification for Data Capture (AIDC), bijvoorbeeld barcode of QR-code]. Dit zal dus moeten worden gevalideerd, ook gedurende het lange termijn stabiliteitsonderzoek.

Veel steriele hulpmiddelen worden verpakt in steriele zakjes. Deze zakjes worden verpakt in een kartonnen doosje, om ze makkelijk te kunnen hanteren in magazijnen: ze zijn stapelbaar waarbij de identificatie makkelijk leesbaar is vanaf de gestapelde doosjes. De doosjes worden vaak verwijderd en weggegooid op de behandellocatie. Alleen de in steriele zakjes verpakte producten liggen op de grijpvoorraad. Daarom is het vereist dat zowel het zakje als de doos een UDI-label dragen.

Voor hulpmiddelen uitsluitend bestemd zijn voor verkooppunten in de detailhandel, hoeft de UDI-PI in niet in de UDI drager op de verpakking van de verkoopeenheid te verschijnen.

Vaak wordt door fabrikanten gesteld dat de UDI niet per se hoeft te worden vermeld op een bepaalde laag, omdat de gegevens verwerkt in de UDI-PI al op het label staan. Maar er zijn juist eisen om deze informatie in de UDI-PI te verwerken, zodat ze in machinaal leesbare vorm op het etiket beschikbaar komen. Als een lotnummer, serienummer, software-identificatie of vervaldatum op het etiket staat, moet dit ook deel uitmaken van de UDI-PI. Als er ook een fabricagedatum op het etiket staat, hoeft deze niet in de UDI-PI te worden opgenomen. Als er alleen een fabricagedatum op het etiket staat, wordt deze gebruikt in de UDI-PI. Op deze manier kan de logistieke administratie in de leveringsketen gebruik maken van de UDI drager voor het foutloos overnemen van traceerbaarheidsinformatie betreffende het hulpmiddel.

Fabrikanten die hun hulpmiddelen al op de Amerikaanse markt plaatsen, zijn al verplicht om een UDI te gebruiken. Maar let daarbij wel op bij de verschillen tussen de FDA en de Europese regelgeving.

Kortom, veel bijzondere situaties. Maar er is altijd wel logica in te ontdekken, dus blijf als fabrikant je gezond boeren verstand gebruiken. Of schakel advies in.

Voor de naleving van de regelgeving verantwoordelijke persoon – interpretatie van artikel 15 van de MDR/IVDR

14 juli 2021

medischehulpmiddelen

Met de introductie van de nieuwe verordeningen voor medische hulpmiddelen en in-vitro diagnostische hulpmiddelen is er een nieuwe rol in het leven geroepen voor fabrikanten: De persoon die verantwoordelijk is voor naleving van de regelgeving (in het Engels afgekort tot PRRC). Aangezien de datum van inwerkingtreding: 26 mei 2021, is gepasseerd hebben fabrikanten inmiddels een dergelijke persoon aangesteld. Aangemelde instanties controleren hierop tijdens hun jaarlijkse audit. Dus zorg dat je een aanstellingsbrief hebt voor de PRRC en kunt verdedigen hoe binnen jullie organisatie de rol van PRRC is ingevuld.

Wat betreft de rolinvulling kom ik verschillende interpretaties tegen. Eerst maar even wat de regelgeving de PRRC als verantwoordelijkheden meegeeft. Dit is wat de MDR erover zegt:

Artikel 15 lid 3. De persoon die verantwoordelijk is voor naleving van de regelgeving, is er ten minste verantwoordelijk voor dat wordt toegezien op het volgende:

  1. voordat een hulpmiddel wordt vrijgegeven, wordt de conformiteit van de hulpmiddelen naar behoren gecontroleerd overeenkomstig het kwaliteitsmanagementsysteem in het kader waarvan de hulpmiddelen worden geproduceerd;
  2. de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring worden opgesteld en geactualiseerd;
  3. de verplichtingen in verband met post-market surveillance overeenkomstig artikel 10, lid 10, worden nagekomen;
  4. de verplichtingen in verband met het rapporteren van de artikelen 87 tot en met 91 worden nagekomen;
  5. in het geval van hulpmiddelen voor onderzoek wordt de in punt 4.1 van hoofdstuk II van bijlage XV bedoelde verklaring verstrekt.

De crux is, wat betekent er ten minste verantwoordelijk voor dat wordt toegezien op… Het betekent in ieder geval niet dat de PRRC verantwoordelijk is voor het uitvoeren van deze activiteiten. Het is dus niet de manager die leiding geeft aan de afdeling die de gefabriceerde producten vrijgeeft, of aan de afdeling die de technische documentatie opstelt, of aan de safety officers die klachten verwerken en beoordeling of rapportage naar overheden noodzakelijk is. Er is er duidelijk voor gekozen om een andere invulling aan de PRRC te geven dan de rol van de Qualified Person binnen de farma industrie. In de eerste concept versies werd de functietitel Qualified Person (QP) nog toegepast. Maar om verwarring bij de rolinvulling te voorkomen heeft men een andere, maar wel minder bekkende, titel bedacht.

Een ander vergelijk dat regelmatig wordt gemaakt is met de directievertegenwoordiger zoals vereist door ISO 13485 5.5.2. Immers, tot de verantwoordelijkheden van de directievertegenwoordiger behoren:

  1. zeker te stellen dat processen die nodig zijn voor het kwaliteitsmanagementsysteem worden gedocumenteerd;
  2. te rapporteren aan de directie over de doeltreffendheid van het kwaliteitsmanagementsysteem en eventuele noodzaak voor verbetering;
  3. zeker te stellen dat het bewustzijn van de van toepassing zijnde wettelijke eisen en eisen van het kwaliteitsmanagementsysteem binnen de organisatie wordt bevorderd.

Maar de aansprakelijkheid van de directievertegenwoordiger is beperkter dan die van de PRRC. Als blijkt dat een hulpmiddel op de markt is verschenen dat niet aan de gestelde eisen voor veiligheid en prestatie voldoet, dan kan een directievertegenwoordiger zeggen dat hij of zij het management heeft aangesproken over de tekortkomingen in de kwaliteitscontrole tijdens productie of de gebreken in het technisch bewijs van overeenstemming met de eisen voor veiligheid en prestatie. De PRRC is hier echter direct aansprakelijk voor. Hij of zij had door middel van toezicht moeten voorkomen dat een ondeugdelijk product op de markt geplaatst of beschikbaar gesteld zou worden.

Laten we terug gaan naar een belangrijke gebeurtenis die een grote rol heeft gespeeld bij het opstellen van de verordening: het PIP schandaal. Borstimplantatenfabrikant PIP werd geleid door een persoon die zich alles behalve verantwoordelijk voelde voor de naleving van regelgeving. Doelbewust overtrad hij wet- en regelgeving en bracht door gebruik te maken van niet medische siliconen onveilige producten op de markt, waarvan veel vrouwen de medische gevolgen hebben moeten ondervinden. De vraag die dan door de maatschappij wordt gesteld is hoe een dergelijke directeur zijn gang heeft kunnen gaan. Natuurlijk is er toezicht door een aangemelde instantie, maar dit toezicht kende en kent zijn beperkingen. De aangemelde instantie is niet permanent aanwezig in het bedrijf. Voor de directeur was het niet heel moeilijk om de aangemelde instantie om de tuin te leiden. Maar de vraag blijft: is er dan niemand binnen de organisatie die de directeur erop wijst dat hij de wet overtreed en patiënten in gevaar brengt. Misschien zijn die er geweest, maar een dergelijk persoon had niet de bevoegdheid om te voorkomen dat het product op de markt gebracht zou worden. Waarschijnlijk was de cultuur binnen het bedrijf ook zodanig, dat als je je baan wilt houden, je maar beter je mond kunt houden. Je bent er immers ook niet aansprakelijk voor. En dat laatste heeft de regelgever nu juist willen veranderen. Als er een tweede persoon aansprakelijk is voor het op de markt brengen van gevaarlijke producten, dan is de kans dat een frauduleuze directeur foutieve besluiten neemt. De tweede persoon zal zich niet willen laten meeslepen in de juridische gevolgen, zoals in het geval van PIP, de komende jaren in de gevangeniscel naast die van de directeur plaats nemen.

De PRRC is dus eigenlijk een intern verlengstuk van de aangemelde instantie. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij de PRRC, voorkomende uit een aansprakelijkheid. Om dat te ondersteunen vereisen de verordeningen dat

De persoon die verantwoordelijk is voor naleving van de regelgeving, mag in de organisatie van de fabrikant geen nadeel ondervinden met betrekking tot de behoorlijke uitvoering van zijn taken, ongeacht of hij werknemer van de organisatie is of niet.

Impliciet zegt dit ook een beetje dat de PRRC hooguit een onderdeel is van die directie van de fabrikant, maar niet de directeur die uiteindelijk alle besluitbevoegdheid heeft kan zijn. Ik was dan ook enigszins verbaasd dat een aangemelde instantie zelf kwam met het voorstel om de directeur tot PRRC te benoemen, omdat hij de enige in het bedrijf was die aan de competentie eisen voldeed. Er is geen concrete vereiste in de regelgeving die zegt dat dit niet mag, maar het gaat mijns inziens volledig voorbij aan de rol die de PRRC in het bedrijf moet spelen. Wat is ook de bedoeling van “geen nadeel mogen ondervinden” in de voorgestelde situatie, immers de directeur zou dan namelijk last van jezelf moeten hebben. Het is mij wel duidelijk dat de directeur van PIP weinig last heeft gehad van zichtzelf: gewetensbezwaren waren hem hoogstwaarschijnlijk vreemd. Maar er zijn ook grijze gebieden: directeuren staan vaak ook onder economische druk. Naleven van alle nieuwe vereisten in de MDR/IVDR maakt de financiële overlevingskans van sommige fabrikanten er bepaald niet beter op. Een olifantenpaadje bewandelen, omdat men denkt dat het wel kan, is dan snel genomen. Vandaar dat er ook strikte eisen worden gesteld aan de kennis en ervaring van de PRRC. De PRRC moet dan aangeven dat het olifantenpaadje toch echt niet de weg te gaan is, omdat er onaanvaardbare risico’s voor de gebruiker en de patiënt aan verbonden zijn. Als de PRRC door gebrek aan kennis en ervaring deze risico’s ook niet ziet, schieten we weinig op.

Als persoon die verantwoordelijk is voor naleving van de regelgeving, en dus mede verantwoordelijk voor een ondeugdelijk product op de markt, zal ik, om te voorkomen dat ik juridisch verantwoordelijk wordt gehouden, moeten kunnen aantonen dat ik in voldoende mate toezicht heb gehouden. Dat gaat mijn inziens veel verder dat de rol van directievertegenwoordiger: zorgen dat er een geschikt kwaliteitsmanagementsysteem staat. Maar als je de MDCG 2019-7 Guidance on Article 15 of the Medical Device Regulation (MDR) and in vitro Diagnostic Device Regulation (IVDR) regarding a ‘person responsible for regulatory compliance’ (PRRC) erop naslaat, dan lijkt het hier wel om te draaien. In een voorgaande blog heb ik hierover mijn verwondering geuit. Het lijkt alsof de MDCG adviseert dat de PRRC beoordeelt of de fabrikant de procedures in overeenstemming met de wet heeft opgesteld, minimaal voor de aangegeven verantwoordelijkheidsgebieden. Maar procedures zijn heel betrekkelijk. Ze bevatten niet alle details om in elke situatie te voorkomen dat er risico ontstaat. Daarnaast gaat er ook veel mis in de uitvoering van de procedures. De PRRC zal dus toezicht moeten houden op de dagelijkse praktijk. En dit toezicht moet passend zijn voor het risico van het product en het kwaliteitsmanagementsysteem van de fabrikant. Een multinationale fabrikant stelde dat aanwezigheid bij de directiebeoordeling voldoende was. Maar als een MKB bedrijf een externe PRRC inhuurt, dan moet de fabrikant “te allen tijde toegang hebben tot zo’n persoon”. Dat rijmt dus niet met elkaar. Blijkbaar bestaat het toezicht uit meer. Overigens, als een bedrijf meerdere (“legale”) fabrikanten heeft onder één moedermaatschappij, moet elk van deze zijn eigen PRRC aanwijzen. De leidraad specificeert niet of deze meerdere PRRC-functies niet kunnen worden gecombineerd in dezelfde persoon of verdeeld over dezelfde groep mensen als de fabrikanten een QMS delen of als dit wordt geïmplementeerd met kwaliteitsafspraken. Ik ga er echter vanuit dat dit mogelijk is.

De MDCG guidance verwijst naar de (nog op te stellen) begeleidingsdocumenten voor de benoemde verantwoordelijkheid gebieden voor specifieke rolinvulling binnen die gebieden. Als fabrikant zou ik dus ook naar de beschrijving van de verantwoordelijkheden in de procedures kijken en beoordelen of de PRRC een bepaalde verantwoordelijkheid in de procedure toebedeeld moet krijgen. Bijvoorbeeld:

  • Het goedkeuren van het kwaliteitscontroleplan dat aangeeft dat er op basis van risicomanagement voldoende inspecties worden uitgevoerd tijdens het productieproces zodat er voldoende bewijs van overeenstemming is met specificatie en eisen voor veiligheid en prestatie.
  • Deelnemen aan ontwerp reviewbijeenkomsten waaronder goedkeuring geven aan de overdracht van het ontwerp naar de operationele omgeving en het op de (Europese) markt brengen van een nieuw ontwerp.
  • Goedkeuren van PMS plannen en PMS rapporten, Periodiek veiligheidsverslag (PSUR), Samenvatting van Veiligheids- en Klinische Prestaties (SSCP).
  • Goedkeuren van klinische evaluatie plannen en rapporten
  • Betrokkenheid bij het besluit tot field safety corrective action
  • Het goedkeuren van vigilance trend analyses
  • Goedkeuren van ontwerpwijzigingen

Wat ik merk is dat aangemelde instanties ook verwachten dat uit het kwaliteitsmanagementsysteem de rolinvulling van de PRRC blijkt. Dit mag worden beschreven in een functieomschrijving, maar het mag ook door de verantwoordelijkheden in de procedures vast te leggen. Voorlopig hebben ze hier nog geen tekortkoming op geschreven, maar ik heb wel verschillende duidelijke aanbevelingen gezien. Kortom, fabrikanten zullen per procedure moeten nadenken wel rol de PRRC te vervullen heeft. Hoe dit gebeurt kan per fabrikant verschillen en is afhankelijk van de risicoklasse van het product en de organisatie van de verantwoordelijkheden en taken binnen het bedrijf.

TEAM-PRRC is een Europese vereniging zonder winstoogmerk die is opgericht om haar leden te vertegenwoordigen op het niveau van de Europese Commissie en de Coördinatiegroep voor medische hulpmiddelen. De vereniging heeft tot doel inzicht te verwerven in en invloed uit te oefenen op de begeleiding die wordt ontwikkeld voor de PRRC-rol en om het begrip van de PRRC-verantwoordelijkheden te bevorderen. Aangezien de rol aanzienlijke verantwoordelijkheid en potentieel zware persoonlijke aansprakelijkheid met zich meebrengt, zal TEAM-PRRC zijn leden ondersteunen door de beschikbare begeleiding te analyseren en een grotere veiligheid van de PRRC-professionals zelf te bevorderen.

Het is ook verstandig om als PRRC de bijeenkomsten van RAPS Chapter Nederland te volgen

ISO 15223-1:2021 nieuwe symbolen voor medische hulpmiddelen

9 juli 2021

normen

Recentelijk is de update van ISO 15223-1 gepubliceerd. ISO 15223-1, Medische hulpmiddelen – Symbolen voor het gebruik met medische hulpmiddeletiketten, merken en informatievoorziening – Deel 1: Algemene eisen, is van toepassing op symbolen die worden gebruikt in een breed scala aan medische hulpmiddelen, zowel op de verpakking als in begeleidende informatie. De standaard is ontworpen om te worden gebruikt door fabrikanten van medische hulpmiddelen om consistentie te waarborgen en eventuele dubbelzinnigheden bij het weergeven van informatie te elimineren. Het kan ook nuttig zijn voor gebruikers om hun begrip van de geboden informatie te verbeteren.

De 4e editie van ISO 15223-1 zal in totaal 25 nieuwe symbolen bevatten, nieuw gedefinieerde termen en verwijdering van bestaande termen, evenals het opnemen van termen uit andere normen, en uitbreiding van de informatieve bijlage met voorbeelden – om er maar een paar wijzigingen te noemen. Samen met ISO 20417 , is de nieuwe ISO 15223 een fundamentele norm om de fabrikanten te ondersteunen bij het opstellen van labeling en door fabrikanten te verstrekken informatie voor de gebruiker van medische hulpmiddelen.

Nieuwe symbolen voor ISO 15223-1:2021 waren met name noodzakelijk om aan de eisen van de Europese medische hulpmiddelen verordening te kunnen voldoen. Voor een deel zijn het nieuwe symbolen, die voor het eerst in de norm zijn opgenomen. Een aantal zijn gewijzigde symbolen, ter vervanging van bestaande symbolen.

Nieuwe algemene symbolen zijn:

  • Symbolen als het apparaat een medisch hulpmiddel (MD) of in-vitrodiagnostiek (IVD) is.
    Het is belangrijk om te vermelden dat het IVD symbool bedoeld is om hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek te identificeren en niet voor medische hulpmiddelen voor in-vitrogebruik.
  • Symbolen om de herverpakking van een apparaat te identificeren.
    Dit symbool betekent dat een wijziging van de originele verpakking van het medische hulpmiddel is uitgevoerd. De naam en het adres van de verantwoordelijke voor de herverpakkingsactiviteit moeten naast het symbool worden vermeld. Dit symbool wordt alleen gebruikt wanneer het ompakken niet door de fabrikant wordt uitgevoerd.
  • UDI-symbool.
    De UDI-symbolen zijn optioneel. Wanneer er meerdere gegevensdragers op het etiket aanwezig zijn, mag het symbool worden gebruikt.
  • Naam van de patiënt (voor een bepaald medisch hulpmiddel).
  • Symbolen die erop wijzen dat bepaalde gebruiksinformatie beschikbaar is op internet.
    Dit symbool geeft aan dat een patiënt aanvullende informatie over het medische product kan krijgen. Dit symbool gaat vergezeld van het webadres naast het symbool.

Er zijn twee symbolen om marktdeelnemers te identificeren onder EU MDR en IVDR

  • Importeur
  • Distributeur

De Europese verordeningen specificeren in detail de rol van deze twee marktdeelnemers binnen de Europese Unie.

Bovendien zijn er nieuwe indicaties om het type steriele barrières voor steriele medische hulpmiddelen te identificeren:

  • Enkel steriel barrièresysteem
  • Dubbel steriel barrièresysteem
  • Enkelvoudig steriel barrièresysteem met beschermende verpakking aan de binnenkant
    Dit symbool duidt specifiek op een enkel steriel barrièresysteem met een beschermende verpakking aan de binnenkant. De beschermende verpakking in het steriele barrièresysteem voorkomt schade aan de inhoud of helpt bij aseptische presentatie. Het biedt geen microbiële barrière om de steriliteit te behouden.
  • Enkelvoudig steriel barrièresysteem met beschermende buitenverpakking.
    De beschermende verpakking buiten het steriele barrièresysteem voorkomt beschadiging van het steriele barrièresysteem en de inhoud. De bescherming is tegen fysieke gevaren, deeltjesverontreiniging of andere gevaren voor het milieu, maar bevat geen microbiële barrière.

Verder zijn er nieuwe symbolen om de gebruiker te waarschuwen voor biohazard-gerelateerde risico’s. Er zijn met name nieuwe symbolen voor medische hulpmiddelen met:

  • menselijk bloed of plasmaderivaten;
  • geneeskrachtige stoffen;
  • biologisch materiaal van dierlijke oorsprong;
  • biologisch materiaal van menselijke oorsprong.

Naast de nieuwe symbolen zijn ook de informatieve bijlagen gewijzigd. Hier vindt u voorbeelden van de toepassing van de eisen die geschikt zijn voor dagelijks gebruik, wat in de praktijk erg handig is.

26 mei 2021: MDR treedt in werking

26 mei 2021

medischehulpmiddelen

Na een jaar vertraging, treedt vandaag, woensdag 26 mei 2021, de nieuwe verordening medische hulpmiddelen van de Europese Unie in werking. Maar dat wil niet zeggen dat voor de fabrikanten van medische hulpmiddelen alle onzekerheden zijn weggenomen.

Zijn voldoende aangemelde instanties ?

De Nando-database van de Europese Commissie bevat momenteel 20 aangemelde instanties die zijn aangewezen onder MDR. Onder de voorgaande richtlijn medische hulpmiddelen waren vijftig aangemelde instanties aangewezen. Veel van de MDR-aangemelde instanties hebben hun aanwijzing pas in de afgelopen 18 maanden verkregen. De Commissie streefde naar 20 aangemelde instanties tegen eind 2019 en sloot het jaar af met slechts negen. De opbrengst van deze aangemelde instanties zal voorlopig beperkt zijn, aangezien conformiteitsbeoordelingen maanden in beslag nemen. Immers, voor goedkeuring onder MDR moet de volledige technische documentatie worden beoordeeld. Sommige fabrikanten hebben het zekere voor het onzekere genomen en in de laatste drie maanden van 2020 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun medische hulpmiddelen opnieuw te certificeren onder de MDD. Hierdoor is de noodzaak voor MDR-certificering werd uitgesteld tot 2024. Team-NB heeft bepaald dat het aantal MDD-certificaten met vervaldatum in 2024 is gestegen van 7.272 in september naar 9.953 in december. De MDD-hercertificeringen heeft de industrie tijd opgeleverd, maar Team-NB waarschuwt dat er hierdoor onvoldoende capaciteit bij aangemelde instanties is ontstaan om alle MDR-aanvragen in 2024 te verwerken.

Zijn er losse eindjes aan de Brexit?

Volgens de oorspronkelijke MDR-tijdlijn zouden de regelgeving van kracht zijn voordat het VK eind 2020 zijn afscheiding van de EU voltooide. Als zodanig zou MDR automatisch in het VK zijn toegepast. Door de MDR-toepassingsdatum uit te stellen tot 2021, viel de verordening buiten het toepassingsgebied van de EU-terugtrekkingsovereenkomst. MDR zal daarom niet worden geïmplementeerd in Engeland, Schotland en Wales, gezamenlijk bekend als Groot-Brittannië.

De voorwaarden van de Brexit-overeenkomst laten echter Noord-Ierland, de vierde jurisdictie in het VK, vallen onder het EU-recht. Het resultaat is dat MDR van toepassing zal zijn in Noord-Ierland en moet samengaan met de regelgevende omgeving die de Britse regering creëert door middel van de Medicines and Medical Devices Bill. De Medicines and Healthcare products Regulatory Agency (MHRA) heeft details gedeeld over de effecten van de divergentie van de wettelijke vereisten binnen het VK op fabrikanten van hulpmiddelen. De werkelijke impact zal echter pas na verloop van tijd duidelijk worden.

Zwitserland is ook voorbestemd om een zogenaamde derde land in het kader van medische hulpmiddelen te worden als gevolg van het voortdurende onvermogen van politici om een deal te sluiten. In dat scenario hebben Zwitserse bedrijven een vertegenwoordiger in een Europese lidstaat nodig om toegang te krijgen tot de EU.

Wat is de status van de Eudamed-modules?

De Eudamed-database zou oorspronkelijk gereed zijn tegen de tijd dat MDR in 2020 live ging, maar de Commissie heeft in 2019 de introductie ervan met twee jaar uitgesteld. Zelfs na de MDR-vertraging is de verordening nog steeds van kracht voordat er databasemodules beschikbaar zijn die een centrale rol spelen in de MDR eisen.

Eudamed-modules komen online zodra ze klaar zijn. De module voor actorenregistratie is in december live gegaan en twee modules over UDI / hulpmiddelenregistratie en certificaten en aangemelde instanties zullen naar verwachting in september gereed zijn. De Commissie moet nog details delen over wanneer de andere drie modules, die betrekking hebben op klinische onderzoeken en prestatiestudies, waakzaamheid en toezicht na het in de handel brengen, en markttoezicht, klaar zullen zijn.

Zijn er geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties?

Het voortschrijdende implementatieplan, dat voor het laatst is bijgewerkt in april, toont dat geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties voor producten zonder medisch doel nog moeten worden vastgesteld. Beiden zijn gepland voor het derde kwartaal.

Inwerking treden?

Ondanks dat de technische documentatie van de producten nog niet direct wordt beoordeeld op overeenstemming met de MDR, wordt van fabrikanten wel verwacht dat ze voldoen aan de kwaliteitsmanagementsysteemeisen van de MDR. Verschillende procedures zullen door de fabrikant moeten worden afgestemd op de nieuwe eisen. Mijn ervaring is dat dit vooral bij MKB-fabrikanten die de afgelopen tijd vanwege Corona hun verkoop hebben zien afnemen nog niet helemaal op orde is. De vertragingen in de Eudamed database maken ook dat procedures de ontwikkeling van de database moeten gaan volgen in plaats van ze slechts één keer aan te passen.

Dus fabrikanten, gefeliciteerd met de inwerking treding van de MDR. Maar door alle vertragingen is het alles behalve een uitbundig feestje.

Door de fabrikant te verstrekken informatie over medische hulpmiddelen – nieuwe norm ISO 20417

26 april 2021

normen

Informatie die door de fabrikant wordt verstrekt, is een belangrijk aspect om het beoogde gebruik en de veiligheid en prestatie van een medisch hulpmiddel te waarborgen. Het draagt bij aan het minimaliseren van de kans op gebruiksfouten. Door de fabrikant te verstrekken informatie over het medisch hulpmiddel krijgt daarom prominente aandacht in de nieuwe Europese verordening MDR. Volgens de EU MDR-voorschriften (artikel 23.1, hoofdstuk III van bijlage I) moet informatie met betrekking tot de identificatie en de relevante veiligheids- en prestatie-informatie worden geleverd. De MDR heeft ook vereisten opgesteld voor betere traceerbaarheid en meer transparantie over de veiligheid en prestatie van het hulpmiddelen. Deze aspecten kunnen op het hulpmiddel zelf, op de (steriele) verpakking, in de gebruiksaanwijzing, in de software (Human Machine Interface; HMI) worden verstrekt. Bovendien moet de informatie ook op de website van de fabrikant beschikbaar worden gesteld. In dit opzicht staan fabrikanten voor zowel ontwerp- als gegevensuitdagingen, aangezien de organisatie nieuwe labelsjablonen moet ontwerpen die ruimte moeten hebben voor gegevens die voorheen niet deel uitmaakten van het labelsysteem. Daarom is het van het grootste belang voor fabrikanten om duidelijk inzicht te krijgen in de impact van de nieuwe regelgeving op de labeling.

Fabrikanten van medische hulpmiddelen die hun hulpmiddelen op de markt van de Europese Unie brengen, gebruiken tot dusver EN 1041: 2008 + A1: 2013 – Informatie verstrekt door de fabrikant van medische hulpmiddelen om de overeenstemming met de vereisten van de Europese Medische Hulpmiddelen Richtlijnen (93/42/EEG) aan te tonen. Reeds in 2017 heeft de Technische Commissie ISO/TC 210, Kwaliteitsmanagement en overeenkomstige algemene aspecten voor medische hulpmiddelen, voorgesteld om een nieuwe norm te creëren met als doel:

  • Om een internationaal geharmoniseerde aanpak tot stand te brengen,
  • Algemene eisen stellen aan de informatie die de fabrikanten aan de gebruiker moeten verstrekken voor een veilig gebruik van het hulpmiddel.
  • Het vermijden van duplicatie van informatie in verschillende product-specifieke normen. (Het hebben van één standaard die de algemene vereisten voor alle apparaten beschrijft, stelt product-specifieke normen in staat om naar deze norm te verwijzen en alleen specifieke vereisten daarin te behandelen.)

ISO 20417 Medische hulpmiddelen – Door de fabrikant te verstrekken informatie bevat vereisten voor de door de fabrikant te verstrekken informatie. Het heeft betrekking op zowel het hulpmiddel zelf, als los te verkrijgen componenten en accessoires. In vergelijking met EN 1041 bevat de nieuwe norm aanzienlijk meer vereisten. Veel van de nieuwe vereisten houden rechtstreeks verband met de vereisten van bijlage I, paragraaf 23 van de MDR. De norm biedt zeer praktische informatie over de implementatie van de MDR vereisten. Daarnaast komen onderwerpen als vertalingen, elektronische documentatie en het omgaan met informatie voor leken nader aan de orde. ISO 20417 houdt daarnaast rekening met de vereisten en aanbevelingen van verschillende andere richtlijnen en normen, waaronder:

  • IMDRF-document over door fabrikanten verstrekte informatie in Essentiële principes van veiligheid en prestaties van medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (IVD).
  • IMDRF-document over de principes van etikettering voor medische hulpmiddelen en IVD-medische hulpmiddelen.
  • ISO 16142-1: 2016 over de toepassing van de essentiële principes van veiligheid en prestatie op de informatie die door de fabrikant van een medisch hulpmiddel wordt verstrekt.
  • ISO 16142-2: 2017 over de toepassing van de essentiële principes van veiligheid en prestatie op de informatie die wordt verstrekt door de fabrikant van een medisch hulpmiddel voor IVD.

Een informatieve bijlage van ISO 20417 biedt kruisverwijzingen tussen de norm en de vereisten of aanbevelingen in de brondocumenten.

Het vertrekken van hulpmiddel informatie is voor de fabrikant een complex bedrijfsproces. In de norm komen de interacties risicomanagement (ISO 14971), bruikbaarheidsanalyse (IEC 62366, inclusief eisen voor leesbaarheid van de informatie), taalvereisten en unieke hulpmiddelenidentificatie aan bod.

Rekening houdend met de veranderingen in het regelgevingslandschap van de EU en rekening houdend met de voordelen van een geharmoniseerde aanpak om te voldoen aan wettelijke vereisten, zal ISO 20417 ongetwijfeld een belangrijke norm zijn voor fabrikanten van medische hulpmiddelen en accessoires.

FDA introduceert Biocompatibility Assessment Resource Center

7 april 2021

medischehulpmiddelen

Door het uitgebreide gebruik van medische hulpmiddelen die in contact komen met het menselijk lichaam ontstond een enorme behoefte aan technologieën en materialen die onder toezicht staan van de regelgeving. Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant om te onderzoeken of gebruikte materialen voor het hulpmiddel verdraagzaam zijn, waarbij normen als instrumenten werden gebruikt. Biocompatibiliteit is een van de voorwaarden voor het gebruik van medische hulpmiddelen. In de afgelopen jaren hebben fabrikanten en regelgevers, waaronder de FDA, veel kritiek gekregen als gevolg van spraakmakende kwesties met betrekking tot de verdraagzaamheid van materialen. Hieronder het permanent geïmplanteerde anticonceptie-hulpmiddel Essure, Terumo injectienaalden, bekkenbodemmatjes en de metaal-op-metaal heupimplantaten. Gezien deze ‘schandalen’ is het niet verwonderlijk dat de biocompatibiliteit meer aandacht heeft gekregen in de beoordeling van medische hulpmiddelen. Dit heeft onder andere geleid tot een aanscherping van de algemene eisen voor veiligheid en prestatie vastgesteld in de Europese hulpmiddelen verordening (MDR; (EU) 2017/745). Veel fabrikanten worstelen nog steeds met het aantonen van biocompatibiliteit.

De FDA publiceerde in 2016 een richtlijn over het gebruik van de internationale norm ISO 10993-1, “Biologische evaluatie van medische hulpmiddelen – Deel 1: Evaluatie en testen binnen een risicobeheerproces” om advies te geven over de evaluatie van biologische risico’s en biocompatibiliteitstesten voor hulpmiddelen die direct of indirect in contact staan met het menselijk lichaam. Een herziening is gepubliceerd in september 2020. De richtlijn beschrijft een risicogebaseerde benadering waarbij verantwoording kan worden gegeven ter ondersteuning van de algemene teststrategie en interpretatie van de resultaten. Op 18 maart 2021 lanceerde de FDA een online Biocompatibility Assessment Resource Center, om meer duidelijkheid te bieden aan fabrikanten bij het toepassen van de biocompatibiliteitsvereisten. Het nieuwe hulpmiddel is bedoeld om in combinatie met de richtlijn termen en concepten uit te leggen. De site is onderverdeeld in vier stappen:

  • Basisprincipes van biocompatibiliteit,
  • Evaluatie-eindpunten,
  • Testartikelen en
  • Testrapporten.

Biocompatibility Basics biedt een zeer uitgebreide beschrijving van de basis voor biocompatibiliteit en een verklarende woordenlijst van termen voor biocompatibiliteit. In sommige opzichten is het een vertaling van de richtlijn. De basispagina beschrijft hulpmiddelen waarvoor biocompatibiliteitsinformatie nodig is, wat de FDA beoordeelt of evalueert, hoe de FDA biocompatibiliteit en biocompatibiliteitsfactoren beoordeelt of evalueert die van belang zijn voor de FDA. In de verklarende woordenlijst is er nogal wat overlap in termen die zijn gedefinieerd in vergelijking met de richtlijn, met enkele nieuwe termen die zijn toegevoegd, waarvan de meeste afkomstig zijn uit de ISO 10993-reeks van biocompatibiliteitsnormen.

Evaluation Endpoints biedt dezelfde informatie als bijlage A van de richtlijn in een gebruiksvriendelijk formaat. Een fabrikant moet altijd biocompatibiliteitstests uitvoeren voor een nieuw medisch hulpmiddel. Het maakt deel uit van de algemene vereisten voor veiligheid en prestatie om ervoor te zorgen dat risico’s worden beheerst en dat veiligheid prioriteit krijgt voor alle materialen die in contact komen met gebruikers. De omvang van de biocompatibiliteitstests die moeten worden uitgevoerd, is variabel, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het product: de wijze en de duur van het lichaamscontact. Opmerkelijk is dat de FDA aangeeft dat informatie over categorisering informeel kan worden verkregen via e-mail of als onderdeel van het pre-submission-proces.

Biocompatibiliteit is iets waarmee de fabrikant vanaf het begin van de ontwikkeling rekening moet houden, met name bij het kiezen van de materialen die worden verwerkt in het hulpmiddel. De pagina met de naam “Component and Device Documentation Examples for Test Articles or Previously Marketed Devices” (3e stap) bevat bijzonder nuttige richtlijnen over de documentatievereisten voor componenten, hulpmiddelen, nieuwe verwerkingsprocessen, sterilisatie proceswijzigingen en formuleringswijzigingen. De informatie op deze pagina’s kan worden gebruikt ter voorbereiding van de beoordeling van een ontwerpwijziging. Het is ook mogelijk dat fabrikanten deze informatie gebruiken als een state-of-the-art richtlijn bij het opstellen van technische documentatie ten behoeve van een beoordeling volgens de Europese medische hulpmiddelen verordening en de gerelateerde klinische evaluatie. Informatie over testartikelen bevat dezelfde informatie als bijlage F van de richtlijn, met voorbeeldteksten die u kunt gebruiken wanneer u vertrouwt op biocompatibiliteitsgegevens van een testartikel dat niet het uiteindelijke, voltooide hulpmiddel is. Bijvoorbeeld bij gebruik van een materiaal dat identiek is aan dat van een ander hulpmiddel dat niet meer op de markt wordt gebracht.

Informatie over testrapporten bevat dezelfde informatie als bijlage E van de richtlijn.

Waar er voor degenen die bekend zijn met de richtlijn waarschijnlijk niet veel andere meerwaarde is dan het handige formaat, kunnen deze bronnen nuttig zijn voor degenen die nieuw zijn op het gebied van biocompatibiliteit, en dat zijn er velen. Het informatiecentrum biedt een algemene procedurele gids die geschikt is voor de meeste hulpmiddelen. Omdat het geen verzameling geeft van alle bestaande FDA-bronnen over biocompatibiliteit, is het niet waarschijnlijk dat het werkelijk helpt bij het oplossen van de complexe biocompatibiliteitsproblemen waarmee fabrikanten worden geconfronteerd tijdens het doorlopen van de aangegeven stappen. Hopelijk is de informatie in zijn eerste opzet een fundament waarop de FDA verder bouwt aan een gedetailleerde informatiebron.