Spring naar inhoud

ISO 10993-1-2018 Biocompatibiliteit – Wat is nieuw?

18 november 2018

normen

ISO 10993-1-2018 werd in augustus vrijgegeven. Deze 5e editie vervangt de 4e editie (ISO 10993-1-2009) en de correctie hierop, die in 2010 werd aangebracht. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige editie zijn:

Veranderingen in het biologische evaluatieproces in ISO 10993-1-2018

De titel: ” Biologische evaluatie van medische hulpmiddelen – Deel 1: Evaluatie en beproeving binnen een risicomanagement proces ” is niet veranderd. De titel is niet alleen voor de vorm behouden. De titel is gelijk gebleven omdat het met de huidige revisie een nog betere beschrijving weergeeft van de inhoud en intentie van het document.

Tabel A.1 in bijlage A “Eindpunten die moeten worden behandeld in een biologische risicobeoordeling” van de vorige versie van de norm werd door fabrikanten vaak oneigenlijk gebruikt als een eenvoudige checklist voor biologische tests die tijdens het biologische beoordelingsproces moesten worden uitgevoerd. Dit werd gedreven door luiheid van de fabrikanten, maar ook omdat contractlaboratoria erom vragen. Een risico-evaluatie begint met een weloverwogen contextanalyse. Dat gebeurt niet alleen aan de hand van de vorm en mate van lichaamscontact, maar ook aan de hand van de fysische en chemische eigenschappen van het product. Vandaag de dag is er geen excuus meer voor een fabrikant van medische hulpmiddelen om de fysieke eigenschappen of de chemische samenstelling van hun hulpmiddel niet te kennen en begrijpen. Het is een eerste noodzakelijke voorwaarde voor de biologische risicobeoordeling. In bijlage A wordt in tabel A.1 aangegeven welke fysische en/of chemische informatie als noodzakelijke voorwaarde voor de biologische risicobeoordeling moet worden beschouwd (aangegeven met “X” in de kolom voor fysieke en/of chemische informatie). Vervolgens worden, en dat is nieuw, alle toxicologische eindpunten geval per geval geëvalueerd op basis van beschikbare gegevens (aangegeven met “E” in de overige kolommen van tabel A.1). Daarmee concentreert de 2018-versie zich op de aanvullende aspecten van biocompatibiliteit; de toxicologische eindpunten: door materiaal gemedieerde pyrogeniciteit, chronische toxiciteit, kankerverwekkendheid, reproductieve / ontwikkelingstoxiciteit en afbraak. Deze eindpunten werden eerder beschreven in de tekst van de standaard, maar zijn nu als afzonderlijke kolommen opgenomen in de bovengenoemde tabel A.1.

In bijlage B zijn de meest zichtbare veranderingen te vinden. De oude 3 pagina’s tellende bijlage B, “Leidraad voor het risicobeheerproces”, is volledig vervangen door de 13 pagina’s van ISO TR 15499-2016, “Leidraad voor het uitvoeren van biologische evaluatie binnen een risicobeheerproces.” In de vorige versie van de norm was er een verwijzing naar het creëren van een prospectief, biologisch evaluatieplan als onderdeel van het risicobeheersplan. In de vijfde editie vereist clausule B.2.2 een Biologische Evaluatieplan (soms door externe testlaboratoria aangeduid met “BEP”).

Bovendien biedt bepaling B.4 een leidraad voor biologische evaluatie. Deze leidraad is rechtstreeks gekopieerd van ISO/TR 10993-22, maar het beantwoordt de veel gestelde vraag “hoe voer je een biologische evaluatie uit.” De basisstappen van de biologische evaluatie zijn niet veranderd:

  1. Materiaalkarakterisering (B.4.1)
  2. Verzameling van bestaande gegevens (B.4.2)
  3. Overwegingen bij het testen van apparatuur (B.4.3)
  4. Biologische veiligheidsbeoordeling (B.4.4)

De leidraad biedt details voor elke stap, evenals algemene richtlijnen over wanneer veranderingen mogelijk een herbeoordeling van de documentatie over biologische veiligheid, GLP’s en biocompatibiliteitevaluatie vereisen. In het algemeen ligt door bijlage B de focus nu op de evaluatie van toxicologische gegevens zoals in tabel A.1 geïdentificeerd, en niet meer alleen op het uitvoeren van een paar vereiste tests.

Bijlage C is bijna identiek aan de vorige versie. De enige verandering die ik heb opgemerkt, is de toevoeging van “Voorkeur kan worden gegeven aan GLP over niet-GLP-gegevens”. Het testen blijft goed beschreven in clausule 6.3. De grondige lijst van factoren die van belang zijn voor de testselectie is nauwelijks veranderd. De beschrijving van eindpunt specifieke testen blijft zeer toegankelijk en informatief.

Net als in de vorige versie van de norm, is in figuur 1 een beslissingsboom opgenomen die het biologische beoordelingsproces volgt zoals beschreven in de norm. Op het eerste gezicht lijkt figuur 1 in essentie ongewijzigd te zijn. Hoewel het precies dezelfde vorm en hetzelfde aantal elementen heeft, zijn er subtiele wijzigingen. De potentiële effecten van geometrie worden bijvoorbeeld in ISO 10993-1-2018 meer benadrukt. Een belangrijkere procesverandering vindt plaats aan het eind. Waar het altijd zei: “Testen en/of motivering voor het weglaten van voorgestelde tests” bevat het bijgewerkte stroomschema nu een verwijzing naar bijlage A. Waar in versie 4 stond: “Voer biologische evaluatie uit” staat nu: “Voer toxicologische beoordeling uit (bijlage B)”.

Aanvullende informatie over de evaluatie van contactloze medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen met kortdurend contact werd toegevoegd.

De norm is ook uitgebreid met evaluatie eisen voor nanomaterialen en absorbeerbare materialen. Dit door toevoeging van sectie B.4.3.3 in bijlage B voor richtlijnen voor pH- en osmolaliteitscorrectie voor absorbeerbare materialen.

Er zijn nog vele kleine wijzigingen in de 5e editie, inclusief nieuwe definities.

Overeenstemming met de Europese richtlijn en EU-MDR

De vierde editie heeft tabel ZA.1 die de correlatie tussen de standaard en de Europese richtlijn toelicht.  In het bijzonder komen Clausules 4, 5, 6 en 7 van ISO 10993-1 overeen met Bijlage I, Essentiële Vereisten 7.1, 7.2 en 7.5 in de MDD. In de nieuwe Verordening (EU) 2017/745 komen deze clausules overeen met Bijlage I, Algemene Eisen voor Veiligheid en Prestatie 10.1, 10.2 en 10.4. Daarom kunt u verwachten dat de Europese versie van ISO 10993-1-2018 een tabel zal bevatten die vergelijkbaar is met tabel ZA.1, maar u moet ook anticiperen op het feit dat uw evaluatie van biologische risico’s moet worden bijgewerkt en dat aanvullende testen nodig kunnen zijn om in overeenstemming te blijven met de eisen voor CE-markering.

Overeenstemming met FDA-richtlijnen voor gebruik van ISO 10993-1-2018

De FDA heeft ISO 10993-1-2018 nog niet toegevoegd aan de erkende normen, maar de FDA-richtlijnen voor het gebruik van ISO 10993-1, uitgebracht in februari 2016, hebben de meeste wijzigingen in de nieuwe 5e editie reeds behandeld.

Tabel A.1 in bijlage A lijkt veel op tabel A.1 in de FDA-handleiding en de kolommen komen volledig overeen, met uitzondering van de kolom voor ‘fysieke en / of chemische informatie’. Hoewel de FDA-richtlijn geen kolom bevat in de tabel die aangeeft dat fysische en chemische karakterisering vereist is als voorwaarde voor de risicobeoordeling, is het zeer duidelijk uit de tekst in de leidraad dat informatie over de fysische en chemische kenmerken van het hulpmiddel “voldoende gedetailleerd aan de FDA moet worden verstrekt om een onafhankelijke beoordeling mogelijk te maken en tot eenzelfde conclusie met betrekking tot de biocompatibiliteit te komen.

De FDA-richtlijnen vereisen ook informatie over de oppervlakte-eigenschappen van het voltooide hulpmiddel. Er wordt gesproken van een voltooid hulpmiddel omdat elke productiestap (startmaterialen en componenten, assemblage, verpakken, steriliseren, transporteren en opslaan) een effect kan hebben op de biocompatibiliteit.

De FDA-richtlijn bevatte een sectie specifiek voor “Submicron- of nanotechnologiecomponenten”, die consistent is met ISO 10993-1-2018, waar ze verwijst naar ISO/TR 10993-22, leidraad voor nanomaterialen. De FDA-richtlijn bevat echter geen richtlijnen voor pH- en osmolaliteitscorrectie voor absorbeerbare materialen.

De FDA-richtlijnen bevatten ook geen verwijzing naar de ISO 18562-reeks Biocompatibility evaluation of breathing gas pathways in healthcare applications. Deze verwijzing is wel toegevoegd aan ISO 10993-1:2018. Maar de FDA-productclassificatiedatabase werd in juni bijgewerkt met een verwijzing naar de ISO 18562-reeks normen, nadat deze normenreeks ook aan de erkende normen werd toegevoegd.

Vereist ISO 10993-1-2018 dat u opnieuw producten moet testen op biocompatibiliteit?

Over het algemeen verwacht ik niet dat de wijzigingen in ISO 10993-1-2018 een uitgebreide herbeoordeling door middel van aanvullende testen vereisen. Wel kan een aanzienlijke herschrijving van het biologische evaluatierapport nodig zijn. U moet nu de fysieke en chemische kenmerken van uw hulpmiddel vollediger karakteriseren en u moet een uitgebreidere biologische veiligheidsbeoordeling verstrekken, inclusief de formulering van uw hulpmiddel en een evaluatie van toxicologische gegevens voor elke chemische stof. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk dat u bepaalde chemicaliën in de materiaalformulering identificeert die u na herbeoordeling liever niet gebruikt, ook al heeft het materiaal in het verleden alle biocompatibiliteitstesten doorstaan.

Advertenties

Kunnen SOP’s effectief worden voordat training is voltooid?

18 november 2018
tags: ,

kwaliteitsmanagement

Onlangs kwam ik op LinkedIn de volgende interessante vraag tegen, waar denk ik iedereen wel eens mee stoeit: Kunnen SOP’s effectief worden voordat training is voltooid? Er werden daarbij 2 benaderingen voorgelegd.

  • Benadering 1: SOP wordt goedgekeurd door de verantwoordelijke personen en nadat de training door de gebruikers is voltooid wordt de SOP effectief. Uitdaging in benadering 1: Oude versie van SOP is nog steeds effectief. Medewerkers die getraind zijn in de nieuwe versie (nog niet effectief) zouden nog steeds de oude versie (inclusief de tekortkomingen die zijn verbeterd met de nieuwe versie) moeten volgen tot de tijd dat de nieuwe versie effectief is. Dit kan conflicten / verwarring veroorzaken bij routinematig / operationeel werk.
  • Benadering 2: SOP wordt onmiddellijk effectief nadat hij is goedgekeurd door de verantwoordelijke personen. Medewerkers worden getraind in de herziene effectieve versie van de SOP voordat ze de betreffende werkzaamheden voor het eerst na goedkeuring van de SOP gaan uitvoeren. Op deze manier is er geen verwarring / conflict in hun routine / operationeel werk. Uitdaging in benadering 2: Hoe kan een SOP effectief worden gemaakt zonder training te geven. Fundamentele basis van verandermanagement is niet alleen om een verandering te initiëren maar ook om de verandering te communiceren. Deze communicatie wordt mogelijk gemaakt door middel van training.

De reacties gingen allemaal voor benadering 1, maar geen enkele reactie behandelde de essentie van de vraag. Beheersing van de effectiviteit van procedures gebeurt altijd op groepsniveau, terwijl het logischer zou zijn om die op individueel niveau te beheersen. Om dit te benadrukken nog wat dilemma’s met benadering 1: Wanneer wordt de procedure effectief? Als de laatste gebruiker is getraind? Ook als de laatste gebruiker op vakantie of langdurig ziek is?

De meest gebruikte aanpak is om een trainingswindow te definiëren: een periode nadat de procedure is goedgekeurd, waarbinnen de training door gebruikers moet zijn gevolgd. Dit leidt vaak tot lange lijsten van mensen die achterstallig zijn met hun training, wat dan weer tijdens de directiebeoordeling besproken moeten worden. Voordeel is wel dat op voorhand duidelijk is wanneer de nieuwe werkwijze ingaat. Bij kritische verbeteringen kan het trainingswindow dan behoorlijk kortdurend zijn. Omdat de verantwoordelijken er dan ook bovenop zitten, wordt over het algemeen de gebruikersgroep snel en volledig getraind. Bij minder belangrijke wijzigingen ontbreekt die aandacht en is het trainingswindow zodanig lang dat gebruikers hun training vergeten te doen. Ook ontstaan er soms technische problemen bij leermanagementsystemen: een eenmaal ingegeven trainingswindow kan niet meer worden aangepast, ook niet als nog niet iedereen is getraind, of als iedereen eerder de training heeft afgerond. Dergelijke aanpassingen zijn vanwege de onduidelijkheid die ze creëren ook niet gewenst.

De meest ideale oplossing ben ik slechts één keer tegengekomen. Dit bedrijf werkte met een elektronisch systeem voor het vastleggen van de productiehandelingen. Als een medewerker een handeling opstartte waarvoor de SOP was gewijzigd, maar waarvoor de medewerker nog niet was getraind, dan moest de medewerker eerst de wijziging bestuderen en aftekenen voor gelezen en begrepen. Hierbij is dus eigenlijk sprake van benadering 2, maar waarbij wel wordt geborgd dat gebruikers tijdig worden getraind (geïnformeerd over de wijziging). Helaas is een dergelijke borging bij de meeste bedrijven niet mogelijk. Wanneer voor benadering 2 wordt gekozen, zouden leidinggevenden ervoor moeten zorgen dat medewerkers, voordat ze aan een bepaalde taak beginnen, op de hoogte worden gebracht van de laatste wijzigingen in de procedure of het werkvoorschrift. Omdat niemand daarop vertrouwt hebben we benadering 1 als zwaktebod gekozen.

Wat is jullie benadering en wat zijn jullie ervaringen hiermee?

Het systeem voor Post Market Surveillance volgens de Medische Hulpmiddelen Verordening

3 november 2018

normen

Een van de vereisten van de nieuwe Europese medische hulpmiddelenverordening (MDR) EU 2017/745 is de vereiste om een periodiek veiligheidsverslag (PSUR) of een Verslag over de post-market surveillance (PMSR) te maken. De PSUR en PMSR zijn nieuw vereiste rapporten in het kader van het volledig herziene systeem voor post-market surveillance (marktwaarneming – toezicht na het in de handel brengen van het hulpmiddel), dat door de MDR aan fabrikanten van medische hulpmiddelen wordt opgelegd. Een PSUR is reeds bekend in de farma-wereld, maar het is een vrij nieuw concept voor medische hulpmiddelen.

Wat is het verschil tussen een PSUR en een PMSR?

De vereiste om een Post Market Surveillance Report (PMSR) te genereren, wordt beschreven in hoofdstuk VII, artikel 85 van de EU-verordening medische hulpmiddelen (MDR) en hoofdstuk VII, artikel 80 van de EU-verordening voor in-vitro diagnostische hulpmiddelen (IVDR). De PMSR is bedoeld voor Klasse I-hulpmiddelen met een laag risico. Het bevat de resultaten en conclusies van de Post Market Surveillance (PMS). Tevens worden de beweegreden voor en de beschrijving van alle corrigerende maatregelen die naar aanleiding van de beoordeling worden genomen in de PMSR vastgelegd. Dit rapport wordt onderdeel van uw technische documentatie (de nieuwe term voor het technisch dossier voor medische hulpmiddelen) en wordt indien nodig bijgewerkt en op verzoek beschikbaar gesteld aan EU-bevoegde autoriteiten.

De vereiste om een Periodic Safety Update Report (PSUR) te genereren, wordt beschreven in hoofdstuk VII, artikel 86 van de EU-verordening medische hulpmiddelen (MDR) en hoofdstuk VII, artikel 81 van de EU-verordening voor in-vitro diagnostische hulpmiddelen (IVDR). De PSUR is bedoeld voor hulpmiddelen met een matig tot hoge risico (Klasse IIa, IIb, III, implanteerbare middelen). De PSUR is in wezen een uitbreiding van een Post Market Surveillance Report (PMSR). De aanvullende informatie biedt een overzicht van feedback uit de markt, rapportage over waakzaamheid en de huidige status van deze apparaten op de markt. Net als voor de PMSR vereist de MDR dat de fabrikant de beweegreden en de beschrijving van eventuele corrigerende maatregelen voor producten in de PSUR opneemt.

De inhoud van dit rapport wordt eveneens in MDR artikel 86 uiteengezet. De PSUR moet het volgende bevatten:

  • de conclusies van de vaststelling van de baten-risicoverhouding;
  • de belangrijkste bevindingen van de Post Market Clinical Follow-up (PMCF), en
  • het verkoopvolume van het hulpmiddel en een raming van de omvang en andere kenmerken van de populatie die het hulpmiddel gebruikt en, indien mogelijk, de gebruiksfrequentie van het hulpmiddel.

Het opnemen van verkoopgegevens van hulpmiddelen in periodieke veiligheidsrapporten baart fabrikanten zorgen, omdat ze zich afvragen hoe “zichtbaar” die gegevens zullen zijn. Het kan zijn dat PSUR’s alleen zichtbaar zijn voor bevoegde autoriteiten en aangemelde instanties, maar dit is nog niet vastgesteld.

Dus, voor alle hulpmiddelen is één van deze rapporten vereist.

Type Klasse Rapport Hoe indienen Frequentie van bijwerken
Medisch hulpmiddel I PMS Op verzoek Indien noodzakelijk
IIa PSUR Tijdens conformiteitsbeoordeling door de aangemelde instantie Minimaal elk 2 jaar
IIb PSUR Tijdens conformiteitsbeoordeling door de aangemelde instantie Minimaal jaarlijks
IIb implantaat PSUR

SSCP

Via een elektronisch systeem (EUDAMED?) ter review aan de aangemelde instantie Minimaal jaarlijks
III PSUR

SSCP

Via een elektronisch systeem (EUDAMED?) ter review aan de aangemelde instantie Minimaal jaarlijks
In-vitro diagnostisch hulpmiddel A, B PMS Op verzoek Indien noodzakelijk
C PSUR

SSCP

Tijdens conformiteitsbeoordeling door de aangemelde instantie Minimaal jaarlijks
D PSUR

SSCP

Via een elektronisch systeem (EUDAMED?) ter review aan de aangemelde instantie Minimaal jaarlijks

Een aangemelde instantie of de bevoegde autoriteiten mogen op elk moment de PMSR of de PSUR opvragen.

Een ding dat interessant is, is dat PSUR’s voor hulpmiddelen met een hoog risico via een “elektronisch systeem” moeten worden ingediend. In de artikelen 86 en 92 van de MDR wordt EUDAMED niet bij naam genoemd. Het is dus onduidelijk of aangemelde instanties hun eigen elektronisch systeem gaan ontwikkelen of dat EUDAMED hiervoor zal worden gebruikt. Artikel 33, sectie 2f, is echter misschien minder vaag en vermeldt dat EUDAMED “het elektronische systeem voor vigilantie en post-market surveillance, als bedoeld in artikel 92” omvat. De situatie voor IVD’s is vergelijkbaar. Het is dus niet 100% duidelijk of PSUR-rapporten deel uitmaken van post-markttoezicht en zullen worden ingediend via EUDAMED. Er is op dit moment geen specifieke informatie over hoe dit zal worden afgehandeld. Als EUDAMED wordt gebruikt, wordt verwacht dat dit systeem tot Q1 mei 2020 niet toegankelijk is voor fabrikanten van medische hulpmiddelen.

Naast de PSUR moeten volgens artikel 32 van de MDR en artikel 29 van de IVDR, fabrikanten van implanteerbare hulpmiddelen en hulpmiddelen van klasse III en fabrikanten van IVD’s van klasse C en D ook nog een samenvatting van de veiligheids- en klinische prestaties (SSCP) opstellen, Ook dit verslag wordt onderdeel van de technische documentatie van het product en moet worden ingediend bij de aangemelde instantie ter goedkeuring. De aangemelde instantie voert na goedkeuring het verslag in in EUDAMED. Of de SSCP net als de PSUR via hetzelfde elektronische systeem bij de aangemelde instanties moet worden ingediend is weer niet duidelijk gemaakt.

De samenvatting van de veiligheids- en klinische prestaties moet in lekentaal worden opgesteld, omdat het beschikbaar zal zijn in het publiekelijk toegankelijke deel van EUDAMED. Het zorgt hierdoor voor transparantie ten aanzien van de veiligheid en de prestatie van het hulpmiddel naar de gebruikers (behandelaars en patiënten). De SSCP omvat tenminste de volgende elementen:

  • De identificatie van het hulpmiddel en van de fabrikant, met inbegrip van de Basic unieke hulpmiddelen identificatie (UDI-DI) en, indien het reeds is toegekend, het unieke registratienummer;
  • Het beoogde doel van het hulpmiddel en eventuele indicaties, contra-indicaties en doelgroepen;
  • Een beschrijving van het hulpmiddel, met inbegrip van een verwijzing naar de vorige generatie(s) of varianten indien die er zijn, en een beschrijving van de verschillen, en, indien relevant, een beschrijving van eventuele accessoires (toebehoren), andere hulpmiddelen en producten die bestemd zijn om te worden gebruikt in combinatie met het hulpmiddel;
  • Mogelijke diagnostische of therapeutische alternatieven;
  • De verwijzing naar eventuele toegepaste geharmoniseerde normen en toegepaste gemeenschappelijke specificaties;
  • De samenvatting van de klinische evaluatie als bedoeld in bijlage XIV van de MDR, en relevante informatie over de post-market clinical follow-up;
  • Het voorgestelde profiel en de voorgestelde opleiding voor gebruikers;
  • Informatie over eventuele restrisico’s en ongewenste effecten, waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen.

Internationale enquête over ISO 13485 norm kwaliteitsmanagementsysteem voor fabrikanten medische hulpmiddelen

29 oktober 2018
tags:

normen

12-10-2018 De internationale technische commissie ISO/TC 210 heeft een enquête uitgezet. Deze is bedoeld voor gebruikers van de norm ISO 13485: 2016. De norm geeft handvatten voor de inrichting van kwaliteitsmanagementsystemen voor medische hulpmiddelen.

De internationale technische commissie ISO/TC 210 ‘Quality management and corresponding general aspects for medical devices’ wil graag de feedback op het gebruik van de norm gebruiken voor de discussie over de toekomst van de norm.

De enquête is te vinden via de link en staat open tot 9 november 2018.
Van 12 t/m 16 november zal ISO/TC 210 bijeenkomen in Seoul, Zuid-Korea, waar de reacties op de enquête worden meegenomen in de discussie over de toekomst van de norm NEN-EN-ISO 13485:2016 ‘Kwaliteitsmanagement voor medische hulpmiddelen in de praktijk’. Vanuit Nederland wordt vanuit de NEN-commissie ‘Horizontale onderwerpen’ actief een bijdrage geleverd.

Bron: NEN

Voorbereiding op EU MDR (2017/745): Tijdslijnen en veelgestelde vragen

4 oktober 2018

normen

We zijn bijna halverwege de 3-jaars overgangstermijn tussen de publicatie van de nieuwe Europese verordening medische hulpmiddelen ((EU) 2017/745) en de datum dat deze wetgeving zal worden toegepast: 26 mei 2020. In mijn ervaring zijn veel fabrikanten nog aan het bijkomen van de inspanningen om ISO 13485:2016 te implementeren. Hierdoor is de tijd gaan dringen. Een goed moment om de tijdslijnen voor het invoeren van de MDR nog eens op een rijtje te zetten. Hieronder volgen enkele veelgestelde vragen met betrekking tot de gevolgen van de MDR voor certificering van medische hulpmiddelen, ontwerpwijzigingen, up-classificatie en wat er gebeurt met MDD-gecertificeerde hulpmiddelen in distributie na 2020.

Behouden MDD-gecertificeerde hulpmiddelen automatisch hun geldigheid na mei 2024 als de laatste MDD certificaten verlopen zijn?

Nee, elk hulpmiddel dat op de markt verkrijgbaar is moet in principe op de datum van toepassing (26 mei 2020) voldoen aan de MDR. Anders dan bij de invoering van de MDD in 1997, moeten alle hulpmiddelen door een aangemelde instantie door middel van een conformiteitsbeoordeling opnieuw worden beoordeeld tegen de eisen van de MDR (er geldt geen grandfather principe). De impact hiervan zal aanzienlijk zijn, met name als u nog hulpmiddelen hebt die vielen onder het grandfather principe van de MDD (in distributie vóór 1993). Deze hulpmiddelen behouden niet langer hun status van grandfathered onder de MDR.

In de MDR is een aantal bepalingen opgenomen die fabrikanten de tijd geven om hun hulpmiddelen na 26 mei 2020 in overeenstemming te brengen. Artikel 120 geeft een gedetailleerd overzicht van alle bepalingen en vrijstellingen voor medische hulpmiddelen met een geldig CE-certificaat volgens de MDD.

Hier zijn een aantal data die u in de gaten moet houden:

  • 26 Mei 2020 – MDR van toepassing.
  • 26 Mei 2022 – De MDD-certificaten van overeenstemming die vóór 26 mei 2017 zijn uitgegeven, vervallen.
  • 26 Mei 2024 – Laatste MDD-certificaten verlopen 5 jaar na de afgifte of 4 jaar na de toepassingsdatum van de MDR (27 mei 2020), afhankelijk van wat zich het eerst voordoet.
  • 27 Mei 2025 – Hulpmiddelen die zijn gecertificeerd onder de MDD kunnen niet langer worden verkocht of gedistribueerd.

Hulpmiddelen met een MDD- of AIMDD-certificaat kunnen dus tot 27 mei 2025 in de toeleveringsketen beschikbaar blijven.

We zijn van plan het productontwerp vóór 26 mei 2020 te wijzigen. Moeten we op dat moment MDR-certificering nastreven?

Fabrikanten die plan zijn het productontwerp vóór de datum van toepassing (26 mei 2020) te wijzigen, kunnen overwegen om al een MDR-certificering aan te vragen. Dit is mogelijk zodra de aangemelde instantie de MDR-aanwijzing van de bevoegde autoriteiten heeft gekregen. Volgens een uitvoeringsverordening van de Commissie konden de aangemelde instanties sinds 25 november 2017 een MDR-aanwijzing aanvragen. In de uitvoeringsverordening is een lijst met productcodes opgenomen.

U moet verifiëren of uw aangemelde instantie wel een aanvraag heeft ingediend en wel voor de productcodes die voor u van toepassing zijn. Volgens de Best Practice Guide van de NBOG wordt verwacht dat de eerste aangemelde instanties in juli 2019 de MDR-aanwijzing zullen krijgen. Dat is dus minder dan een jaar vóór de toepassing van de MDR. Dat betekent dat er daarna een stormloop op de aangemelde instanties zal ontstaan. Houd hier rekening mee als u in deze periode een ontwerpwijziging, inclusief MDR-certificering wilt aanvragen. Begin dus tijdig met het plannen van de indiening van uw ontwerpwijziging, vooral als u certificaten hebt die verlopen in 2019 of begin 2020.

Ervan uitgaande dat fabrikanten op tijd de MDR-certificering zullen verkrijgen, kunnen hulpmiddelen al vóór 26 mei 2020 onder de MDR-bepalingen op de markt gebracht worden. Hou daarbij ook rekening met de tijd die een conformiteitsbeoordeling kost. Het is verstandig om voor een MDR-conformiteitsbeoordeling van een bestaand product met minimaal 4 maanden rekening te houden.

We zijn een nieuw hulpmiddel aan het ontwikkelen. Tot wanneer is het mogelijk om te certificeren onder de MDD?

Nieuwe MDD-certificaten kunnen worden uitgegeven tot de datum van toepassing van de MDR (26 mei 2020). Daarna worden alle nieuwe certificaten uitgegeven onder de MDR. Het type certificering dat u kiest, hangt voornamelijk af van wanneer u uw hulpmiddel op de markt wilt introduceren. Als u vroeg (voor juli 2019) bent, heeft uw aangemelde instantie nog niet de MDR-aanwijzing ontvangen van de bevoegde autoriteiten. In dat geval kunt u alleen maar voor MDD-certificering kiezen. Als uw hulpmiddel na 26 mei 2020 op de markt komt, kunnen alleen MDR-certificaten worden uitgegeven. In de smalle periode ertussenin, heeft u een keuze tussen beide certificaten. Dit hangt ook af van wat uw aangemelde instantie accepteert voor uw hulpmiddel.

Voor het verkrijgen van een MDR-certificaat voor een nieuw product moet rekening gehouden worden met een minimale doorlooptijd van de conformiteitsprocedure. Afhankelijk van de risicoklasse van het product kan dat een half jaar tot een jaar in beslag nemen. De mogelijkheid voor het aanvragen van een MDD-certificaat wordt hiermee dus beperkt tot onmogelijk nadat uw aangemelde instantie zijn MDR-aanwijzing heeft ontvangen.

Wat gebeurt er met MDD-gecertificeerde hulpmiddelen die na mei 2020 nog in de distributieketen zitten?

Hulpmiddelen die op de markt zijn gebracht in overeenstemming met de MDD / AIMDD mogen nog tot 27 mei 2025 op de markt worden aangeboden of in gebruik worden genomen.

Wat is het beste moment om bestaande producten MDR te certificeren?

MDR-certificatie kan, afhankelijk van de geldigheid van het MDD-certificaat, worden uitgesteld tot 26 mei 2024. Dat moment kun je, waar mogelijk, plannen, door nog een MDD-certificering te krijgen kort voor de datum van toepassing van de MDR (26 mei 2020). Denk hierbij wel aan de volgende beperkingen:

  • Aangemelde instanties kunnen ‘substantiële’ ontwerpwijzigingen niet langer accepteren en goedkeuren. Dit betekent dat het hulpmiddel geen belangrijke (en misschien noodzakelijke) ontwerpwijzigingen kan ondergaan, zoals wijzigingen in de etikettering/verpakking, wijzigingen in het productieproces of de toevoeging of wijziging van essentiële functies en functionaliteit ter verbetering van de prestatie en veiligheid.
  • De MDR dwingt tot voortdurende verbetering. Fabrikanten moeten ervoor zorgen dat al hun producten voldoen aan de meest recente veiligheids- en prestatie-eisen. Hulpmiddelen moeten voldoen aan de actuele vereisten, waaronder door de EU uit te geven gemeenschappelijke specificaties en updates van geharmoniseerde normen die worden gebruikt om overeenstemming met de MDR aan te tonen.
  • Nieuwe MDR-vereisten voor postmarket-surveillance (PMS) moeten worden geïmplementeerd, samen met vereisten voor post-market klinische follow-up (PMCF) of rechtvaardiging waarom PMCF niet vereist is.
  • Aan alle registratievereisten voor alle marktdeelnemers moet worden voldaan. U zult een kwaliteitsmanagementsysteem moeten hebben dat overeenstemt met de algemene verplichtingen in artikel 10. Daarnaast zal moeten worden gezorgd voor kwaliteitsovereenkomsten tussen de fabrikant en de Gemachtigde Vertegenwoordiger, importeur en distributeurs.
  • Tenslotte bepaalt de MDR dat de aangemelde instantie die het MDD- of AIMDD-certificaat heeft afgegeven nog steeds verantwoordelijk is voor het toezicht op alle bovengenoemde vereisten (wat problematisch kan worden als de aangemelde instantie haar activiteiten heeft stopgezet).

Ons hulpmiddel valt onder de EU-MDR in een hogere risicoklasse, maar ons huidige MDD-certificaat verloopt voor 26 mei 2020. Moeten we het MDD-certificaat verlengen?

U moet controleren of één van uw hulpmiddelen volgens de classificatieregels die zijn opgenomen in MDR bijlage VIII wordt ingedeeld in een hogere risicoklasse. Als uw hulpmiddel al een MDD-certificaat heeft en er zijn geen ontwerpwijzigingen te verwachten, dan kunt u ervoor kiezen het MDD-certificaat te verlengen om tijd te winnen voor het aanpassen aan de MDR eisen. Zijn er wel ontwerpwijzigingen te verwachten en is een snelle goedkeuring van een ontwerpwijziging kritisch voor het behouden van concurrentievoordeel of om patiëntrisico’s te verminderen, dan is een zo vroegtijdig mogelijke overgang naar een MDR-certificaat wenselijk.

Valt uw hulpmiddel volgens de MDD onder de klasse I zelf-gecertificeerde niet-steriele hulpmiddelen, maar volgens de MDR onder een risicoklasse waarbij conformiteitsbeoordeling door een aangemelde instantie vereist is, dan kunnen deze hulpmiddelen vanaf de dag van toepassing van de MDR niet langer op de markt worden gebracht (hulpmiddelen die al op de markt zijn kunnen nog wel worden verkocht; zie hierboven). Dit is bijvoorbeeld van toepassing op klasse I herbruikbare chirurgische instrumenten. Klasse I hulpmiddelen die hergebruikt kunnen worden moeten voor wat betreft het hergebruik ook een conformiteitsbeoordeling door een aangemelde instantie ondergaan. Ik raad u aan om te kiezen voor een tijdige overgang, mede gelet op de beperkte capaciteit van de aangemelde instanties rond 2020.

Hetzelfde geldt voor software als medisch hulpmiddel. Deze software werd onder de MDD als klasse I beschouwd, maar valt volgens MDR-classificatieregel 11 mogelijk onder een hogere klasse.

De MDR is ook van toepassing op apparaten zonder medisch doel, aangezien deze nu zijn opgenomen in bijlage XVI van de MDR. Producten die ooit als borderline of buiten het MDD-kader vielen, zijn nu medische hulpmiddelen en moeten in mei 2020 een conformiteitsbeoordeling hebben ondergaan.

Welke invloed zal de MDR hebben op klasse I niet-steriele/zonder meetfunctie/niet-herbruikbare hulpmiddelen?

Klasse I niet-steriele/zonder meetfunctie/niet-herbruikbare hulpmiddelen vallen onder zelf-certificering, dus zonder tussenkomst van een aangemelde instantie. Dat blijft zo. Terwijl fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen momenteel relevante bevoegde instanties moeten informeren, moeten zij op grond van de MDR zelf gegevens over hun hulpmiddelen invoeren in de Eudamed-database. Fabrikanten van klasse I hulpmiddelen zullen ook kwaliteitsmanagementsystemen moeten opzetten, hoewel een beoordeling van deze kwaliteitssystemen niet vereist is. De vereisten voor klinische gegevens zullen ook toenemen onder de MDR.

We hebben een lopend klinisch onderzoek dat duurt tot na 26 mei 2020. Moeten we dit stoppen of aanpassen?

De MDR bepaalt dat klinisch onderzoek dat vóór 26 mei 2020 onder de MDD-regels is gestart, kan worden voortgezet. Vanaf die datum moet de melding van ernstige gebeurtenissen en productdeficiënties echter worden uitgevoerd in overeenstemming met de MDR-bepalingen.

U moet wel vaststellen of de opzet van de klinische studie voldoet aan de eisen van de MDR en de geharmoniseerde ISO 14155 norm. De norm is overigens op dit moment in revisie, o.a. om te voldoen aan de vereisten van de MDR. Klinische gegevens verzameld met onderzoeken die niet aan de MDR-eisen voldoen kunnen niet worden gebruikt in de conformiteitsbeoordeling. De MDR omvat uitvoerige eisen waaraan klinisch onderzoek moet voldoen.

U mag zich overigens gelukkig prijzen als u al een onderzoek heeft lopen. De MDR vraagt meer klinisch onderzoek om klinisch bewijs van prestatie en veiligheid te verkrijgen. Veel producten zijn op de markt gekomen via de zogenaamde literatuurroute, waarbij het klinisch bewijs is gebaseerd op gepubliceerde studies met vergelijkbare producten. Die mogelijkheid wordt sterk ingeperkt. Dat betekent dat post-market clinical follow-up (PMCF) studies moeten worden opgezet om voldoende klinisch bewijs te vergaren voor de MDR-conformiteitsbeoordeling. Het wordt steeds lastiger om tijdig een dergelijke studie in te plannen of om nog een geschikte onderzoeker te vinden die nog niet is overladen met onderzoeksprotocollen. Heeft u dus nog niet geïnventariseerd of er voldoende klinisch bewijs afkomstig uit onderzoek beschikbaar is, dan kon u wel eens te laat zijn met het plannen en uitvoeren van het onderzoek.

Onze aangemelde instantie stopt ermee.

Omdat de vereisten voor aangemelde instanties een stuk strikter zijn geworden en er dus meer inspanningen van de aangemelde instanties worden verwacht, heefteen aantal aangemelde instanties besloten hun activiteiten op het gebied van medische hulpmiddelen te staken. Het gaat hier met name om de kleinere aangemelde instanties of aangemelde instanties die beperkt actief zijn in de medische hulpmiddelen sector. U hebt dus geen andere keuze dan een nieuwe aangemelde instantie te kiezen. Volgens de NBOG’s Best Practice Guide blijft uw certificaat geldig gedurende de geldigheidstermijn. Het is wel verstandig om zo spoedig mogelijk een nieuwe aangemelde instantie te selecteren, omdat u anders geen veranderingen kunt aanbrengen in uw productontwerp.

Overigens kan het ook voorkomen dat uw aangemelde instantie geen aanwijzing krijgt van de bevoegde autoriteit, of de aanwijzing niet geldt voor uw productcode. Ook dan zult u een nieuwe aangemelde instantie moeten selecteren. Als laatste kunt u nog de pech hebben om een Britse aangemelde instantie te hebben gecontracteerd. Na de Brexit heeft deze geen bevoegdheid meer om uw kwaliteitssysteem en producten te certificeren.

We willen geen maatregelen nemen om het hulpmiddel in overeenstemming te brengen met de MDR en beëindigen het product. Wat moet er gebeuren met de producten in de markt?

Verkochte hulpmiddelen bevinden zich buiten uw eigendom in het distributiekanaal. Deze hoeft u niet terug te roepen, net als alle producten die nog steeds in gebruik zijn of bij de eindgebruiker op voorraad liggen. Niettemin blijft u verantwoordelijk voor de prestatie en veiligheid van deze hulpmiddelen. U blijft productaansprakelijk gedurende de levensduur van het laatst gedistribueerde product. U moet de technische documentatie steeds beschikbaar houden gedurende de in de richtlijn genoemde periode: minstens 5 jaar nadat het laatste hulpmiddel is vervaardigd of minstens 15 jaar nadat het laatste implanteerbare hulpmiddel is vervaardigd. U blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en het leveren van reserveonderdelen.

Wetsvoorstel ‘Regels over de veiligheid en kwaliteit van medische hulpmiddelen’

1 oktober 2018

normen

Op 25 september 2018 is het wetsvoorstel ‘Regels over de veiligheid en kwaliteit van medische hulpmiddelen’ ingediend bij de Tweede Kamer. Hiermee wordt op termijn de huidige Wet medische hulpmiddelen vervangen door een nieuwe wet waarmee uitvoering wordt gegeven aan Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen (MDR) en aan Verordening (EU) 2017/746 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (IVDR). In het wetsvoorstel wordt in artikel 5 geregeld dat herverwerking en verder gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/745, zijn toegestaan.

Tevens wordt voorgesteld om de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) op een aantal onderdelen te wijzigen. De samenloop met de invoering van de verordening (EU) 536/2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen speelt de aanpassing van de WMO parten. Er zijn twee aanpassingsvoorstellen voor het geval de verordening (EU) 536/2014 al dan niet tijdig wordt ingevoerd.

Op 10 okt 2018 zal in een procedurevergadering de procedure omtrent het wetsvoorstel worden behandeld. Het wetgevingsproces is te volgen via de website van de Tweede Kamer. Op de website is het wetsvoorstel inclusief een uitgebreide memorie van toelichting terug te vinden

Websitepublicatie van gebruiksaanwijzingen van medische hulpmiddelen

8 september 2018

medischehulpmiddelen

De Europese verordening medische hulpmiddelen (EU 2017/745 [MDR]) en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (EU 2017/746 [IVDR]) vereisen dat, indien de fabrikant een website heeft, de fabrikant gebruikersinformatie op deze website beschikbaar maakt en actualiseert. Deze vereisten zijn vermeld in de algemene veiligheids- en prestatie-eisen; MDR bijlage I sectie 23.1, IVDR bijlage I sectie 20.1. Met deze nieuwe eis wordt impliciet ook verordening EU 207/2012 betreffende elektronische gebruiksaanwijzingen voor medische hulpmiddelen van toepassing, al heeft deze verordening alleen betrekking op medische hulpmiddelen en niet op de in vitro diagnostische hulpmiddelen. Ook stelt EU 207/2012 dat het publiceren van een elektronische gebruiksaanwijzing op een website een vrijwillig alternatief is naast de papieren gebruiksaanwijzing en dan uitsluitend voor hulpmiddelen voor professioneel gebruik. In de medische hulpmiddelen verordeningen is het nu verplicht voor alle medische hulpmiddelen, inclusief in-vitro diagnostische hulpmiddelen, voor elke gebruiker en voor elke regelgevingsklasse. Zo maakt EU 207/2012 een uitsluiting voor die delen die aan de patiënt worden verstrekt (artikel 6 lid 4); terwijl EU 2017/745 en EU 2017/746 vereisen dat ook deze informatie op de website wordt verstrekt. Voor elektronische gebruiksaanwijzingen bij medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek is wel een MEDDEV leidraad beschikbaar: MEDDEV 2.14/3. Deze leidraad heeft in principe dezelfde uitsluitingen.

Het publiceren van gebruiksaanwijzingen op de website heeft betrekking op alle talen waarin de gebruiksaanwijzing wordt verspreid. Sommige fabrikanten hebben de vertalingsverantwoordelijkheden overgelaten aan lokale vertegenwoordigers of distributeurs en hebben zelf geen inzicht in deze documenten. Dat was op zich al een ontoelaatbare praktijk: de fabrikant is en blijft eindverantwoordelijk voor de inhoud van de gebruikersinformatie en elke vertaling ervan. Volgens artikel 16 in de MDR en IVDR kunnen importeurs en distributeurs labels aan apparaten toevoegen zonder zelf als fabrikant te worden beschouwd. Maar alleen onder de voorwaarde (zie artikel 16.2) dat dit gebeurt in overeenstemming met de vereisten in bijlage I; dus onder toezicht van de fabrikant en met een inhoud die wordt gecontroleerd door de fabrikant. Als positief gevolg van de nieuwe eis zullen nalatige fabrikanten nu ook alle vertalingen van de gebruikersinformatie als gecontroleerde documenten moeten behandelen.

In sommige landen is het mogelijk om toestemming te vragen om een gebruiksaanwijzing niet in een lokale taal of niet in elke lokale taal te vertalen (zogenaamde derogatie). Dit geldt vooral in geval van hulpmiddelen voor professioneel gebruik, waarbij de gebruiker wordt geacht de Engelse taal voldoende te beheersen ten behoeve van zijn beroepsuitoefening. Ook als het hulpmiddel niet in elke lidstaat van de Europese Unie op de markt wordt gebracht, zal niet elke vertaling beschikbaar zijn. Maar binnen de Europese Unie kunnen gebruikers van hulpmiddelen hun beroep in een andere lidstaat uitvoeren dan waar ze geboren zijn. Hun moedertaal kan dus ontbreken in de gebruiksaanwijzing. Omdat deze gebruiksaanwijzingen nu wel elektronisch beschikbaar zijn, kan een gebruiker zijn eigen vertaling creëren met behulp van Google Translate of vergelijkbare applicatie. Een nieuw risico sluipt dus heel stiekem mee met de nieuwe eisen en zal dus door de fabrikanten moeten worden beschouwd in de risicoanalyse als niet elke vertaling wordt aangeboden.

Nog een addertje onder het gras: in verordening EU 207/2012 artikel 7.2 (g) is vereist dat eerdere in elektronische vorm gepubliceerde versies beschikbaar zijn op die website. Deze vereiste is natuurlijk met name bedoeld om bij elke versie van het medisch hulpmiddel ook de bijbehorende gebruiksaanwijzing te kunnen vinden. Maar nieuwe versies worden ook gepubliceerd als gevolg van correcties en verduidelijkingen van de gebruiksaanwijzingen, toevoegingen van claims, rest risico’s, contra-indicaties, voorzorgsmaatregelen of waarschuwingen. Ik kom nagenoeg nooit tegen dat dergelijke versies ook allemaal beschikbaar zijn op de website. Meestal wordt alleen de meest recente versie aangeboden. Nu moeten minimaal alle versies die gedurende de gebruikstermijn van het hulpmiddel zijn gepubliceerd op de website beschikbaar zijn. Wijzigingen tijdens de gebruikstermijn van een aangeschaft hulpmiddel worden dus transparanter voor de gebruiker. Omdat EU 207/2012 niet geldt voor in-vitro diagnostische hulpmiddelen is de eis overigens (nog) niet expliciet gemaakt voor deze hulpmiddelen. Ook is de eis niet expliciet gemaakt voor elektronische gebruiksaanwijzingen beschikbaar in productsoftware. MEDDEV 2.14/3 geeft wel aan dat gebruikers van in-vitro diagnostische hulpmiddelen op de hoogte moeten worden gebracht van wijzigingen in de elektronische gebruiksaanwijzing, maar stelt niet dat alle versies op de website beschikbaar moeten blijven.

De verordeningen EU 2017/745 en EU 2017/746 vereisen nog steeds dat gebruiksaanwijzingen in papieren vorm beschikbaar worden gesteld, tenzij de uitzonderingen van EU 2017/2012 van toepassing zijn. De nieuwe eisen houden dus nog steeds onvoldoende rekening met eHealth of mHealth apps die via app-stores elektronisch op de markt worden gebracht. Dergelijke apps zijn bestemd voor zowel health care professionals als patiënten. De laatste groep is in EU 2017/2012 uitgesloten voor het alleen elektronisch beschikbaar stellen van gebruiksaanwijzingen. Dit probleem is helaas gemist bij het opstellen van de nieuwe verordeningen.